terug naar index
Toespraak van Jacob van Artevelde

Doch, ‘k ben u, volk van mijn geliefde Gent,
Een woord verklaring schuldig. Graaf van Vlaandren,
Dat word ik niet! De graaf is op de vlucht,
’t Is waar, en hij regeerde als was hij tegen,
Niet boven ons gesteld; ons brood ontnam hij
En weigerde ons de deur van ’t land te ontsluiten,
Waar brood voor ons te vinden was; ’t is waar,
’t Is alles waar, ook dat er weinig hoop is
Ooit voor ons land een waren graaf te krijgen.
Dat gij tot graaf mij uitriept hoorde ik wel,
Doch gij zijt ’t volk niet… en, al waart ge ’t ook,
Het hele volk van Gent en Vlaanderen,
Nog gaf ik ’t antwoord: neen, ik word geen graaf.
Opschudding.
Doch ‘k voegde er bij: een graaf zal ik u geven.
Opschudding.
Een graaf die eeuwig u getrouw zal blijven,
Die met u samen leeft en strijdt en werkt,
En handel drijft en uw bezit vermeerdert…
Diepe stilte.
Die graaf zijt gij!… Gij staart verbaasd mij aan.
Het volk wordt zelf zijn graaf; dit is mijn droom,
Die zó zal in vervulling gaan: uw macht
Moet immer groter, doch niet bandloos worden;
Uw vrijheidskeure, uw recht saam met uw plicht,
Wordt uitgezet door vrijheid steeds bij vrijheid,
Totdat ze ’t ganse leven der gemeente,
En dat van ieder stad en land omsluit…
Dan wordt ze uw graaf, en zij heerse over u!
Op deze keure waken uw verkooznen,
En ik, beleef ik ‘t, houd ook wacht, niets meer.
Dit, poorters, is mijn levensdoel, geen ander,
En, mag ik uwe macht geleiden, wordt
Gij uwe macht bewust en handhaaft gij ze
In sterke broedereendracht, dan, bij God!
Bereik ik ’t ook. Hebt gij in mij vertrouwen?

Uit:
Cyriel Verschaeve: Verzameld Werk (1954-1961), 8 dln., dl. 2: Toneelwerken, p. 27-28


Vind dit boek in de bibliotheek Gent