terug naar index
To the Beanery

Hij drinkt te veel. ’s Morgens grinnikt een spiegelbeeld hem tegen nog voor hij de ogen opent. Een roekeloos vitalisme: leven met jazz. Taktiek van de verbrande aarde: desolaat, maar efficient. Hij strompelt niet uit bed; hij wordt overeind getrokken door een, zij het steeds sterker afnemend schuldbewustzijn. Hij slaat zichzelf nauwkeurig gade: hoe hij op en neer loopt, pratend voor een muur van boeken. Hoe hij drie trappen tegelijk neemt bij het naar boven komen. Hoe hij ongeduldig is, als een voorwerp hem niet dadelijk gehoorzaamt. Hoe hij voor het venster staat, handen in de zakken, geplaagd door herinneringen die de lichte zeilschepen boven de huizen aandragen: een armbeweging, een letter, de geur van zeep, haar zeep. Zijn de kleine, maar meest wezenlijke dingen van de dag noteerbaar in de kantlijnen van het denken? Sedert hij de blinde Tristano vereert, leeft hij zonder partituren. Maar de blinde oerdichter heeft hem niet van het geschreven woord en zijn koorts genezen. Hij leeft alleen: een lang bevochten weigering. Als het zomer is, zit hij tegen de middag op de terrassen, sluit de ogen en luistert naar het rinkelen van leeggedronken glazen. Maar nauwelijks is hij een uur buiten, of hij vlucht weer naar binnen: schriftelijke neerslag van de geringe inwendige verschuiving dringt zich op.

De stad ’s morgens. Markten, pleinen, bloemenventers, vrouwen. Smalle straten waar de wind de voorbijganger naar omhoog zuigt en in het verblindend licht op de daken gooit. Slijklucht en te koop geboden fruit versmelten tot een teken van geschiedenis. Opgenomen worden in de gewichtloze anonimiteit. Salon du Café. Sierlijke nutteloosheid, anonimiteit waarin het hardslaan van woorden zeer gratuit lijkt.

Later weer: korthakken van de syntaxis, zoals men fraseringen afkapt. Als men hem aanspreekt: waar ben ik in godsnaam mee bezig? Muzikaal: de Lumps van Lacy. Stroom valt in stollende fragmenten uiteen. Wat onbegrepen was wordt overzichtelijk. Hij voegt letters, woorden toe aan myriaden, aan de chaos.
Ook dat éne: Raika. (…)

Het gekend scenario van gedroomde ontmoetingen ’s morgens: een snijpunt, raakvlak, het langs elkaar glijden van werelden die elkaars huid even aftasten, voorbijschuiven. De onbestemde hevigheid van mooie dagen in het najaar, nevel in de straten, kleine, smalle straten in een oude universiteitsstad, mensen op weg naar anonieme akwaria van stilte en studie waarin zij als vissen achter glas gevangen zitten. Twee in de zomerkoelte ademende silhouetten. Uitwisseling van blikken, mikroskopische ontredderingen, onmerkbare ontwrichtingen, elke dag weer, die plots overslaan: windrichtingen worden uitgewist, kompassen draaien dol, men begint dwaaltochten in plotseling onherkenbaar vreemde vergezichten. Soms houden ze even halt, wisselen enkele woorden. Mirages, giftige bloemen, overal het ruisen van mikroskopische watervallen in de oorschelp. De trilling van een diepe onderstroom wordt voelbaar: iets verbindt mensen plots als onmerkbaar in de grond gedrongen vloeistoffen die kanaaltjes vormen zonder dat men er weet van heeft, die plots naar de oppervlakte springen en voorbijgangers omsingelen. Aan lange tafels verglijden eindeloze namiddagen terwijl de stad bol staat van zelfoverschatting.
Later zit hij alleen thuis: getemperd licht, kamermuziek, armen bewegen door van hem alleen doorleefde ruimte, later ook haar armen: bruine, sierlijke armen die naar de warmte van de oksel glijden en toch blijven wat ze zijn: een beweging die geen beweging is, behalve een gedroomde streling, misschien. Met het opvoeren van dergelijke bewustzijnssubtiliteiten begint de waanzin: in hoeverre heeft het bewustzijn in dat lichaam weet van zijn wetten, in hoeverre heeft iemand er weet van hoe verbazing uit zijn ogen wegebt en andere infecteert, in hoeverre stelt men rituelen, die voor anderen strikken worden, doelgericht? Handen die haren verschuiven, klimopranken tegen een muur van licht, een lichtbruine hals onder blauwzwart haar, gebaren als kleinoden op een tafel geplaatst, het glinsteren van een oorbel. Hartstocht op een onwetend iemand afgestuurd blijft jarenlang zinderen in de herinnering als warmte boven een korenveld en vertroebelt de optiek. Is niets ervan in haar gedrongen? vraagt hij zich af, beseft meteen dat dit soort peilingen geen zin heeft, dat de ballast van woorden te zwaar is voor de vluchtige werkelijkheid van onwezenlijk blauwe namiddagen, waarin haar beeld een constante was. Terwijl hij schrijft glijdt een luie motor door de lucht: een klein vliegtuig blinkt even en lost op. Zomerherinneringen zwermen als vlagende vogels in zijn aangezicht, rukkende vliegers aan het touw, flarden, beelden, flitsen, woorden blijven zich jarenlang losscheuren, slaan willekeurig weg zoals een lok van haar haar soms als ze tegen de wind de steile straat opklom, een zomerwind, vervorming, lokalen van licht en stilte waar ze, tronend in het exotisme van haar lichaam, urenlang zat te schrijven. Soms kwam hij voorbij en keek over haar schouder hoe ze blad na blad met oosterse tekens vulde, die hij niet kon lezen. Het gevoel buitengesloten te zijn, enerzijds, maar ook, door de mythische kracht die van het onbegrepene uitgaat, het fenomeen van de fata morgana. Haar hand zaaide kleine oases in kleine woestijnen. Wat doet het ertoe? Onbegrepen dorst, waterkruiken, leem, zindering en tenslotte vervoering als een zonnevlek in het kanten kraagje van haar bloes. Dat blijft hem bij. Als hij dan tenslotte ’s avonds zelf schreef waren het stroeve, ijzeren passen waarin de metaalklank stilaan overheersend werd. Hij leerde het scheppen van gesloten kernen, essenties die als een microcosmos in zichzelf ronddraaiden en nergens uitweg boden. Hij leerde houden van het geluid als ze tegen elkaar opbotsten. Hield soms lang de adem in. Ontwaakte met een smaak van roest op de lippen. (…)

De finale sekwens komt nogal onvoorzien. Een tafereel in een gebroken spiegel op een winteravond, jaren later. In de stad ergens een jazzconcert. De kroeg loopt snel vol. Buiten sneeuwt het hevig. Bewegende igloos kruipen voorzichtig over tramsporen, die onvindbaar worden. Binnen stijgt de drukte. Plots staat Raika naast hem. De schok der herkenning is soms eigenaardig: golven breken door moeizaam opgebouwde muren, die wel standhouden, maar toch een ver einde laten voorvoelen. Iets trilt in zijn voegen, even. Ze zoent hem. Ze heeft de haren opgestoken: de sierlijke hals en het kanten kraagje van de bloes. Een parfum, dat hij niet kent. Ze lacht hem toe (de fragmentering van het gebroken beeld maakt dingen onzeker), maar de mengeling van nutteloosheid en tederheid heeft een effect alsof ze sluw kijkt. Dag Raika, zegt hij gewoon. Vreemde sigaretten. Krop in de keel.
- Ben je al lang terug?
- Ik blijf maar een week.

De drummer komt op, spant de snaredrum, probeert de pedaal, controleert de charleston, gooit vodden in de voettrom, roffelt even. De kroeg is overvol. De tenorist, enige blazer in het kwartet, komt het laatst op en zet dadelijk in. Agressie, sierlijkheid, kracht, wendbaarheid en condensering van het denken in de complexe fraseringen. Terwijl de swing wordt opgedreven en zij als in een warm bad van klank gedompeld worden, (waardoor alles dan weer onbestemd gaat klinken), en buiten de sneeuw zich ophoopt tegen deuren en vensters aan: auto’s vallen midden op straat snurkend in slaap en zijn door de foeterende chauffeur met geen zweep wakker te krijgen, – groeit in Anton het besef dat het oneindige kluwen van ervaringen, geluksmomenten en ontgoocheling dat men heimelijk ontwart, alles wat hij in die jaren moest leren beheersen om hier plots naast haar te staan, hem definitief afsnijdt van het moment, van het actuele. Hij zwijgt. Arduin sneeuwt langzaam onder en dempt de stap. Niemand overschrijdt de drempel zonder vallen. Blauwe  toetssteen. Als een niet echt betrokken toeschouwer zoekt hij zo nu en dan in het gezicht naast hem naar sporen van wat hem verrukte (lag het in haar wangen, in de diepte van haar ogen, in de betovering van woorden terwijl het licht in motieven op zijn handen viel als hij achter de kanten gordijnen stond te luisteren?). Alles sluit zich. Vreemde rust. Ze praat zo nu en dan wat, biedt hem steeds weer één van de Egyptische sigaretten aan. God, denkt hij, dit stoot mij af, omdat het niet echt is, maar projectie. Ze heeft geen ogenblik geweten hoe elk van haar gebaren als een sinaasappel in mijn hand viel. Oogverblindende schilfers, het beeld wordt weer troebel.

De zwarte tenorist speelt met grote virtuositeit en ernst. Terwijl de holle conversatie zo nu en dan doorgaat, concentreert Anton zich op de adem van de blazer: spanning van de lippen, doldraaiende ogen, woede, tederheid, een waanzinnige introversie, speeksel druipt langs de bek van het instrument op zijn jas, zweet drupt in zijn kraag. Nu eens is hij veertig en versleten, dan weer tien jaar, een kwajongen in de achterbuurt van een Amerikaanse grootstad, woede accumulerend. Trilling van een scheurend riet, bedwongen kreet, eenzaamheid van de superioriteit. Bij elk applaus lacht hij even verdwaasd, de onderlip dierlijk gestulpt. Duidelijk stoned. Hij merkt Raika op. Kijkt glazig. Haalt luidruchtig snot op, terwijl zijn vingers automatisch figuren maken op de sleutels. Trekt zijn wenkbrauwen op. Knikt lichtjes met het hoofd op het ritme van de swing. Verglijdt dan weer in een versufte stemming, wacht zijn beurt af om wisselend met de drie anderen een halve chorus te spelen. Een jongen en een dier. Naast Anton: woorden worden vlekken, zoals verkleurde kaartjes onder stof vlekken worden. Dun laagje gesofistikeerde onrust in haar stem. Het komt hem zeer bekend voor. Elegant gesprek, vanop afstand. (Waarom, vraagt hij zich af, altijd de drang om in mineurtoon te delireren? Mensen, als men ze niet hoort, zijn soms mooi.) Leegten worden overal aan elkaar gepraat maar blijven leegten. Vrijblijvend schimmenspel achter glas van snel ontweken blikken. Wie de ontstellend grote welwillendheid van mensen voorbij de liefde bekijkt, begaat soms denkfouten. Weer is de werkelijkheid een akwarium. Bewegingen zonder spoor. Geen duidelijk te onderscheiden geluiden. Hoge ruisfactor.

Na het concert zit de saxofonist verdwaasd te staren. De kroeg loopt leeg, het houdt stilaan op met sneeuwen. Terwijl Raika wellicht weer voor jaren verdwijnt, dringt een weemoedige onverschilligheid op in Anton. Daar staat hij, en hij praat. Hij krabt in zijn haar, hij knikt, hij veegt met de rug van de rechterhand langs zijn neus en snuift, drinkt zijn glas leeg, trekt de ogen open, knipt met de vingers, replikeert, lacht om wat zopas gezegd werd, neemt een sigaret uit zijn borstzakje, steekt ze tussen de lippen van de jongen naast hem, knipoogt, neemt nog een sigaret, vraagt vuur door al pratend voorover te buigen, inhaleert, knikt zeer affirmatief van ja, lacht, kijkt even naar de deur, vraagt nog iets te drinken, krabt in zijn haar, schokschoudert, leunt tegen de bar, steekt de hand op naar een vriendinnetje dat weggaat, praat verder, krijgt een vol glas, drinkt even, maakt een beweging met de hand, die erop duidt dat het gesprek over muziek gaat, lacht, veegt met de rug van zijn rechterhand langs zijn neus, duwt het brilletje omhoog, knikt overtuigend van ja, draait de rechterhand met de palm naar boven en beweert iets zeer stelligs, drinkt weer even, trekt aan zijn oorlelletje terwijl hij luistert. Dit is Anton, zegt iemand die erbij komt staan. Luchtbellen.

De saxofonist loopt zeer stoned voorbij met zijn ingekiste tenor. Vrienden aan tafeltjes wuiven Anton toe, voor ze weggaan. Hij gaat naar buiten tegen de ochtend. De sneeuw smelt, en een dichte mist hangt in de straten. Hij gaat in een Amerikaans aandoende snackbar eten, geniet van de gore junkfood als van iets dat deel uitmaakt van iets groters, stapt dan een late kroeg binnen. Bekijkt mensen aan marmeren tafeltjes, vermoeid en brandend, herkent hun houdingen later: hoe ze roken, praten, drinken, afwijzen, toezeggen, – in expressionistische schilderijen van Nolde, Rouault, Soutine. Beseft plots met een schok dat hij in Kienholz’ Beanery staat.

 

--------------------------------------------------------------------------------

© Stefan Hertmans, 2005

Uit:
Stefan Hertmans: Ruimte (1981), p. 40-66


Vind dit boek in de bibliotheek Gent