terug naar index
't Kantientje

Míjn stamkroeg in die tijd heette ’t Kantientje: een smal en lang café op het inmiddels totaal verkraterde Wilsonplein waar vadertje Anseele, de Gentse socialistische voorman, thans met zijn kont naar het arbeiderspaleis van de Vooruit gedraaid, naar de restanten van het kapitaal wijst – cinema Capitole. (Ik heb er Bécaud nog zien optreden, en Adamo, en waar is Sacha Distel gebleven?) Het Kantientje, ooit begonnen als – ook – een studentencafé, was in 1972 al verworden tot een duistere louche pijpenla waar ’s avonds laat de maquereaux hun whisky’s en de wijvekens ’s uchtends vruug hun koffie kwamen bestellen. Legendarische figuren: de Poeze, Pol Maigret, Zan den Bokseur, en niet te vergeten, de zanger van het intussen compleet vergeten "Concerto voor jou, Natasja" – Johan Stolz. Deze laatste had op donderdagavond zijn vaste stek in de Weinstube, een deprimerend donker hol dat deel uitmaakte van de voormalige film- en variétézaal ’t Coliseum aan de Kuiperskaai: in 1911 door architect Geo Henderick verbouwd tot een van de belangrijkste art-nouveau-gebouwen van het land, maar je moet nu ’s gaan kijken. Alles moet weg. Alles moet kapot.
Mirabelle.
Een blauwe maandag lang ben ik verliefd op haar geweest: op Mirabelle, op de waardin van ’t Kantientje. Een knappe blondine, nauwelijks vijf jaar ouder dan ik, maar wel al moeder van een ééncellige meisjestweeling, samen zes à zeven jaar oud. Ik ben wel ’s met ze naar Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen geweest, in ciné Capitole. En één keer naar de dierentuin, mét Mirabelle. (Is dit ook niet de naam van een geel-groene, overrijpe vrucht?)
In het café van Mirabelle stond een jukebox en bij dezer heb ik geen catalogus van node om, twintig jaar later, nog altijd te weten: A 7: Le plat pays van Jacques Brel. D 19: Just like a woman van Bob Dylan. Het waren de begindagen van Studioskoop, de zogenaamde studentencinema waar ik Dylans Don’t look back zou zie, en Woodstock, en de films van Bunuel. De zoldering beslagen met lege kartonnen eierdozen en aan de muren uiteraard de voor die tijd onontbeerlijke Chinese waaiers en parasols. Eén keer met Mirabelle naar de bioscoop geweest: Elvira Madigan. Handje in handje. Zweten. Muziek van Mozart. Mooi. Maar alles moet kapot, alles moet vooral lelijk worden.
(…)
Dat amper een paar maanden later Zan den Bokseur ’t Kantientje zou binnenstappen om drie of vier van de vijf aanwezigen paf! een kogel door de kop te jagen. Moord in Gents nachtcafé blokletterde Het Volk. Mijn moeder zei: al dat crapule dat in dit soort cafés zit moesten ze allemáál neerknallen.
"Ja ma."
En ik dacht aan Mirabelle. Aan Blondie. En dat ze me ooit ’s verteld had dat haar lievelingsdichter Richard Minne was. Hoezo? Las zij dan poëzie?
Ze had geknikt. Minne was ergens familie van haar geweest, verklapte ze me trots. En helemaal uit haar blonde caféhoofd had ze hem zelfs nog kunnen citeren:

Gogol

Ik lees Gogol. Hij is groot.
Hij spreekt van liefde en dood,
en dat de mensen klein zijn
en voor elkaar venijn zijn
en dat, trots alles, dit leven
nog hoog staat aangeschreven

Uit:
Eriek Verpale: Olivetti 82 (1993), p. 31-34



Vind dit boek in de bibliotheek Gent