terug naar index
Studentenkamer

Ik zou dus voor advocaat studeren.
Mijnheer Van Bottel moedigde mij aan; Tante gaf haar goedkeuring; Bertha vertrouwde mij blozend, dat zij fier zou wezen aan de arm van een doctor in de rechten te wandelen. Wat was er meer nodig om mijn lot zijn onwederroepelijke richting te geven.
Om er een begin mee te maken huurden wij in de Vlaamse Universiteitsstad, bij een Gents philister, die in vis en kruidenierswaren handelde, een kamertje in de zachte prijzen.
De stoffering was niet schitterend; de karige meubeltjes kan men licht opnoemen: een ronde tafel met verkleurd tapijt, vier biezen stoelen op drie prikkels, een withouten ledikant zonder gordijnen, een ladenkas met gescheurde marmeren plaat. Het behangsel droeg ettelijke sporen van de stormen, die onder de regering van de studenten, mijn voorgangers, in dit verblijf gewoed hadden, en telkenmaal dat men de deur opende, steeg er van onder uit de kruidenierswinkel een gemengde geur omhoog van haring en kaas, stokvis en citroenen, kaarsroet en gedroogde appelen, waaraan men zich met der tijd gewennen moest.
Doch de huismeester was een zo rond en dik, vrolijk en lachend baasje, met dubbele kin en korte armpjes, de hospita had een zo lief en vriendelijk gezichtje, en sprak met zoveel eerbied en bezorgdheid van de “menheren studenten”, dat het in toto een genoeglijk verblijf voor een jong academieburger mocht heten.

 

Uit:

Anton Bergmann: Ernest Staas, advocaat (1874), geciteerde ed. 1892, p. 73-74



Vind dit boek in de bibliotheek Gent