terug naar index
Sneyssens

Rodenbach beschrijft de onverschrokken Gentse vaandrig Sneyssens op een slagveld in de 14de eeuw.

 

Afgrijselijk! In den valen sching van ’t zwartgestreepte westen
en onder donkeren vlagenzwangeren hemel
ijlt wanhopig een vlucht voorbij en jagend achtervolgen,
en noodgehuil en zegekreet en staalklang
verdoven klacht en rochel der gesmeierde gewonden.
O wanhoop! Deze vlucht waar stalen ruiters
in kerven, het is Gent dat vlucht, der vrijheid laatste hope!
Het zwaait een hand de gentse Klauwaardsvane,
het roept een stemme door ’t gehuil: “Wie helpt de goede poorters
hun vrouwen en hun kinders wederzien?
Gent! Al die meêdoen hier! Gent, Gent! “De vlucht splijt rond een molen,
die reusig spook in ’t wordend donker rijst,
golft ijlend links en rechts voorbij. De ruiters stormen. Dol,
blind, ijselik botsen zij op vijftig speren.
Tien peerden storten. Steigerend woelt de schare. Razend krielt
een worsteling rondom den molenwal.
Uitzinnig sert die wederstand de zegedronken ruiters.
Door ’t blixemen van zijn gonsend zweerd omgeven,
almachtig staaft de vaanderik van Gent den wederstand,
en kerft en kerft, en peerd en peerdegast
stort neêr. De lijken stapelen in het rond hoop over hoop.
Maar overmacht verplettert heldenmoed.
En op een bloedigen lijkenwal daar staat in ’t vale tweelicht
de vaanderik aleen en blixemt voorts,
pal. “Geeft u over” schreeuwt men. “Gent” juicht hij en splijt een ruiter.
Het hagelt zweerden op hem. “Geeft u over!”
“Gent” juicht hij en zijn weêrlicht snijdt drie ruiters door den stormhoed,
en steigerend wijkt de stormloop. Huiverend schudt
de vaandrik zijne linker hand. Zij valt. Een bloedstraal speerst.
Maar bloedig sluit zijn arm ’t gescheurde vaandel.
“Geeft over” schreeuwt men. “Gent” huilt hij
en bleek en zwijmelend staat hij
in ’t bloedig wederlichten van zijn zweerd,
afgrijselik schoon. Een nieuwe storm behagelt hem met zweerden,
maar wijkt gekneusd en steigerend terug.
“Geeft over” schreeuwt men. “Gent” huilt hij
en zwaait een bloedige scherve,
maar stort doorkorven op den lijkenhoop.
“Geeft over” schreeuwt men. “Gent” zucht hij
en wanhopig zich rechtend
kwetst hij een ruiter met des vaandels punt,
bezwijmt en zieltoogt, krampachtig des vaandels flarden grijpend,
zucht nog eens “Gent”, spuigt bloed en sterft. En zidderend,
de zweerden neder, stil en stom bewonderen hem de ruiters…
De vlucht verdwijnt in ’t donkeren van de verte. –
Ei ! Kynegyros, ween van spijt, en werp uw kroon naar Sneyssens!
Uit:

Albrecht Rodenbach: Al de gedichten (1888), geciteerde ed. Verzamelde Werken, dl. II, 1956, p. 83-84



Vind dit boek in de bibliotheek Gent