terug naar index
Slachtoffers van de pest worden begraven of verbrand

Jonkvrouw Margaretha van Male, dochter van Lodewijk, graaf van Vlaanderen (14de eeuw) is getuige van de pest die ook in Gent toeslaat (omstreeks 1360).

Ik zie nu nog hoe een kar vol dode kinderen voor het kerkhof van de Sint-Niklaaskerk staat. Een groep uitgehongerde honden cirkelt rond de kar. Een zwarte hond bijt zich vast in het hangende been van een dood meisje en probeert het van de kar te slepen. De doodgravers schreeuwen, maar de hond laat zich niet afschrikken. Ik zie het bleke gelaat van het meisje en haar lange blonde haar dat over de lijken schuift terwijl de hond haar naar zich toe trekt. Een doodgraver gooit stenen naar de hond en pas nu laat het dier los en rent het jankend weg. Op zo’n tien meter blijft de hond drentelen maar nu durft hij niet meer dichterbij te komen. De priester legt aan de doodgravers uit dat de dodenakker door de pest overvol is geworden. De lijken liggen nauwelijks een halve meter in de grond en elke nacht komen de ratten in de losse aarde wroeten op zoek naar iets eetbaars. Mijn vader komt op de doodgravers af en beveelt dat ze de hele kar met dode kinderen moeten verbranden. Hij legt de priester op dat hij de kinderen absolutie voor hun zonden moet geven.

- “Maar ze zijn al dood,” sputtert de priester tegen.

- “Wat zou dat! We zijn allemaal al dood,” roept de graaf van Vlaanderen, “we hebben alleen wat uitstel gekregen.”

De priester zegent de kar en besprenkelt de kinderen met gewijd water. Een uur later stijgt een zwarte, stinkende rook op van het kerkhof. De wind blaast het roet door de stad. Het fijne, donkere roet kleeft aan de huid. Ik spoel mijn handen en gezicht opnieuw en opnieuw, bang dat het fijne roet van de dood ook mij zal besmetten.

Uit:
Jean-Claude van Rijckeghem en Pat van Beirs: Jonkvrouw (2005), p. 239-240



Vind dit boek in de bibliotheek Gent