terug naar index
Robert’s optreden in den “Nieuwen Cirkus”
Het cirkus van Gent was schitterend verlicht.
Een groot aantal Dames en Heeren waren opgekomen om den Gentschen violist, waarvan de dagbladen in de laatste dagen zooveel hadden geschreven, te bewonderen.
De cirkusbestuurder had wel begrepen, dat hij goede zaken zou gedaan hebben, met den Violist Mulders te engageeren.
Hij had zich dan ook met dezen, onmiddellijk na zijn aankomst te Gent, in verbinding gesteld en een contract met hem afgesloten.
Op de gangen der Loge’s, waar een aantal rijke dames en heeren wandelden, ruischten de zijden japonnen en witte sortie’s wisselend af.
Een gonzend geluid trof het oor bij het binnen komen der zaal; gesmoord lachen, fluisterende stemmen, halfluide opmerkingen en begroetingen van deze en gene wisselden elkanderen af.
’t Sloeg acht uur! De bel rinkelde!
De muzikanten namen hun plaats in het orkest, een zacht fluisteren ruischtte nog door de zaal, totdat de muziekbestuurder zijn dirigeerstok ophief en het sein tot den aanvang gaf.
Een groep Engelsche dansers en danseressen was het eerste nummer van ’t programma.
De muziekbestuurder spande zich in, om mede te werken opdat de uitvoering de goedkeuring van het publiek mocht genieten.
Dit was hem dan ook gelukt, want een daverend applaus gaf de tevredenheid te kennen.
Verschillende nummers volgden elkander op en eindelijk was ook Robert aan de beurt om op te treden.
Voor deze gelegenheid was Roberts oude muziekleeraar Dubois, van Antwerpen naar Gent overgekomen.
Deze nam plaats voor den vleugel, welke voor deze gelegenheid, op het tooneel was geplaatst, en terwijl hij een paar akkoorden aansloeg, verscheen ook Robert op het tooneel.
Alle tooneelkijkers, welke aanwezig waren, richtten zich op hem.
- Is dat nu den jongen heer Mulders, die zoon van Emiel Mulders? vroeg een heer aan den bestuurder van den cirk, bij wien hij in de Loge zat.
- Ja, kende U misschien zijn vader?
- Zoo goed als mij zelf, jaren heeft hij op mijn bureel werkzaam geweest. Steeds was hij een eerlijk en werkzaam man, doch na den dood van zijn vrouw, werd hij een wrak, een slachtoffer van den drank. Zijn kinderen werden later aangenomen en opgevoed door een cirkus-clown, terwijl hij wegens moord werd veroordeeld tot twintig jaren dwangarbeid, doch…
Hier werd hun gesprek afgebroken, want Robert nam zijn viool op en liet zijn strijkstok zachtjes over de snaren glijden, terwijl Mijnheer Dubois accompagneerde. Hij had als hij begon te spelen, de tooneelkijkers op zich zien richten; de hoofden waargenomen, die bij elkaar werden gestoken en daarna hun blikken op zich gevestigd gevoeld.
Nog fluisterden hier en daar stemmen, maar reeds na eenige streken verstomden ook deze praatzieke toehoorders. ’t Werd doodstil, men kon zoals men zegt, een muis hooren loopen, terwijl de heerlijke tonen ruischtten, die Robert aan zijn cremona ontlokte.
Vol, breed en krachtig, beschaafd en edel was zijn toon. Meesterlijk was zijn techniek en ademloos luisterden allen.
Moeder Nelly, Julia en Ledy, welke thans zijn verloofde was geworden, zagen hem van op hun plaats, op het tooneel aan.
’t Was alsof daardoor zijn toon nog krachtiger, zijn spel nóg bezielder werd.
Allen luisterden met spanning en menig oog tintelde van genot. Veler wang kleurde zich hooger door den invloed van de zangrijke stem, welke uit de snaren sprak tot het hart en doordrong tot in de ziel.
Men luisterde alleen naar die toonen, zóó volmaakt en schoon, zóó roerend meêslepend en weldoende tevens.
De nocturne was uit. Mijnheer Dubois sloeg de slotakkoorden aan en wendde daarna even het hoofd om naar Robert.
Deze stond nog steeds met de viool aan de kin, als dacht hij na, zonder het publiek voor zich te zien.
Daverend waren de toejuichingen, welke de wanden der cirk deden dreunen en Robert aan zijne droomerij ontrukte.
Uit:

Pierre Van de Moortel: De kinderen van den dokwerker (s.d.), p. 125-129


Vind dit boek in de bibliotheek Gent