terug naar index
Portretschilder Lucas De Heere
Wat er ook gebeure morgen reis ik met mijn dochter naar Gent af.
– Morgen reeds afreizen. Gevaarlijk, gevaarlijk, mompelt Van Coudenborch.
– Ik stel geen dag langer uit. Ik heb sinds lang mijn portret besteld aan den befaamden schilder Lucas De Heere te Gent, en deze verwacht mij met ongeduld.
– Lucas De Heere? Dien ken ik zeer goed, knikt Van Coudenborch. Een groot kunstenaar en een schrandere geest. Hij is niet enkel knap met het penseel, doch ook met de pen. Maar hij zal zich werkelijk moeten haasten indien hij uw portret wil voltooien, heer ridder.
– Hoe zoo?
– Omdat hij niet in de gunst van Alva staat, en zich misschien op dit oogenblik reeds niet meer veilig voelt te Gent. Een paar jaar geleden liet hij bij den Gentschen uitgever Manilius een boekjen drukken met Calvinistische psalmen, in Vlaamsche verzen vertaald. Wanneer dit in handen valt van Alva’s bloedraad, die regelmatig huiszoekingen bij de drukkers beveelt, is De Heere een verloren man.
– Mijn woord blijft gegeven, zei de ridder met klem, en De Heere zal mijn portret schilderen zooals ik hem heb opgedragen.
– En hij zal het meesterlijk doen, voorspelde Van Coudenborch.
(…)
De ridder van Laerne zat, bekleed met zijn blinkend harnas, in een der cellen van het Predikheerenklooster.
Apotheker Van Coudenborch, op een steenen raambank staande, tuurde door de vierkante ruitjes alover de Leie.
– Het wordt een mooie dag, heer ridder.
De edelman, als versteven in zijn harnas, roerde niet.
Zijn oogen volgden vluchtig den zonnestraal die een vriendelijk licht tooveren kwam op den blauwen muur, en er de paarlenkroon schitteren deed van een Mariabeeldje.
Dan keek hij weer starlings vóór zich, en sprak met een zware, ernstige stem die uit zijn borstpantser als met een klank van staal rees:
– Blijf er op uitkijk, en meld mij wanneer U ridder Walter over de brug ziet rijden.
Men hoorde in de verte het belfort tien uur rammelen.
Lucas d’Heere, in zijn rooden, breed wapperenden schilderskiel, stond op een klein houten verhoog, en lei, met een lang, fijn penseel, toets na toets op een breed doek, vóór hem opgespannen.
Onder den breeden, afhangenden hoed, waaruit weelderige lokken wiegelden, loerden zijn verstandige oogen bestendig naar den edelman wiens helm hij op dit oogenblik schilderde als met een kleur van gloeiend zilver.
(…)
– U gaat ons dus beslist verlaten, heer schilder?
– Ik heb het bij Alva verkorven, heer ridder.
– Ik weet het. Naar welk veiliger oord zijt u van plan uit te wijken?
– Naar Engeland.
– Wat denkt U daar te verrichten?
– Heel zeker portretten schilderen, heer ridder. En dan, ik heb ook sinds lang een grootsch ontwerp. De verschillende volkeren der aarde met hun kostumen en ornementen in beeld te brengen.
– Grootsch, inderdaad, en interessant. Maar, vergeet uw portretten niet!
Opnieuw hield hij zijn gelaat zijlings gewend, en d’Heere, door zijn half toegeknepen wimpers, bestudeerde en ontleedde den minsten vezel van dit aangezicht dat hij, met een toon sterk als staal, begeerde te schilderen.
Uit:
Jef Crick: Monica (1932-1933), geciteerde ed. 1944, p. 27-28, 112-113


Vind dit boek in de bibliotheek Gent