terug naar index
Op St-Niklaasdag

Toen ik te G… op studie lag – want de studenten liggen op school, gelijk de soldaten in garnizoen, –had ik tot medeleerling en vriend eenen jongeling, voor wien zich de schoonste vooruitzichten openden.
Hij heette Louis de Wapenaar, dat wil zeggen, dat hij tot de oudste en fatsoenlijkste familiën der stad behoorde; ik geloof zelfs, dat de de Wapenaars aanspraak maken op adel ; doch Louis heeft er nooit een woord van gewaagd.
Fortuin, naam, betrekkingen, alles vereenigde zich voor hem. Daarbij een prachtig jonkman, hoog van gestalte, met open en vrank gelaat, pikzwart haar en vurige oogen en eene losheid van omgang en manieren, die hem aanstonds aller harten won.
(…)
Ik was kostganger, hij externe; ik zat opgesloten, hij leefde vrij; ik was verre van mijne familie, hij woonde bij eene teergeliefde en al te toegevende moeder. Als ik soms klaagde over mijn lot, dat ik, onnoozel kind, zoo erg waande; als ik verhaalde van de lange studiën, van de eentonige speeluren, van de eindelooze weken en van de vervelende zondagen, hoorde hij mijne kinderlijke klachten aan met eene welwillende deelneming. Hij noemde mij zijnen Silvio Pellico; vergeleek het pensionaat bij eenen Spielberg, en kon uitvallen tegen de strengheid der kostschool en de onrechtvaardigheid der meesters met eene kracht en klem, die weerklank moesten vinden in het verbitterde hart van eenen opgesloten student.
“Hoe gelukkig is toch die Louis!” herhaalde ik mij dikwijls in onze lange vervelingsuren, en dacht ik vooral op eenen doodsch treurigen namiddag.
Dikke sneeuw bedekte de daken, grauw en somber bleef de lucht, doodsch en donker waren de gaanderijen der school.
De killige arduinen wanden schenen van verveling te wateroogen, de dakvensters der overzijde geeuwden ons tegen. De ondermeester was lastiger dan ooit; wij mochten niet springen, niet lopen, niet zingen, niet roepen, vooral niet stil spreken: ha, ’t was een treurige dag en die dag was St-Niklaasdag.
Voor de dagscholieren is het verlof, dat wil zeggen gelukkige zalige stonden, heengevlogen in den huiselijken kring, in eene gezellige kamer, bij eene warme stoof, aan de zijde van Vader en Moeder, die niet weten wat uitvinden, om het feest der kinderen voor hunnen lieveling te veraangenamen.
Voor ons ook, arme gevangenen, is het verlof, dat beteekent twaalf lange, eindelooze uren van doodelijke verveling, ondraaglijke kwelling, doorgesloofd, in naakte zalen, koude speelplaatsen, te midden van zoutelooze en dikwijls laffe plagerijen.
Me dunkt, ik zie ons nog staan, tegen elkander gedrongen, als eene kudde, die zich tegen de koude beschut, rondom eene soort van schuiftafel, waar niemand op speelt, morrend tegen het weder, tegen de school, tegen onze ouders, die ons opsluiten, tegen St-Niklaas, die ons vergeet. De ondermeester wandelt met trage treden op en neer, en zijne doffe stappen schijnen de logge minuten te tellen van uren, die nooit eindigen zullen.
“O! ’t zijn gelukkige jaren, de gelukkigste jaren des levens, de jaren van het pensionaat!”

 

Uit:
Anton Bergmann: Verspreide schetsen en novellen (1875), p. 305-309


Vind dit boek in de bibliotheek Gent