terug naar index
Op kostschool in Oostakker

En al die zever over "Mei Achtenzestig", dat is toch helemaal opgelegd pandoer? Míj zegt mei ’68 hoegenaamd niets. Ik zat op kostschool en trok me iedere avond gesmoord kermend af bij een foto van Elke Sommer. Eén keer ben ik er zelfs voor opgestaan om me voor het raam van mijn slaapkamer heftig te beroeren, en prompt stak er storm op waarbij de wind het dak van onze turnzaal rukte. God bestond toen nog wel degelijk. Ik heb er zelfs nog foto’s van, – van onze verwoeste turnzaal bedoel ik. Ik vond het allemaal erg mooi en spannend en ik heb er nog een gedicht over geschreven dat achteraf verschenen is in ons schoolkrantje: Want kijk, dáár hield ik mij in mei ’68 mee bezig: met poëzie, en met de échte romantiek. Zo herinner ik mij bijvoorbeeld nog altijd het op oorlogspapier gedrukte boekwerk van dr. J. Keunen over Shelley, uitgegeven door het Davidsfonds, toelatingsnummer 7323: boek dat ik ettelijke keren gelezen heb en dat ik vele jaren later, op de ouwe markt in Gent, gelukkig nog heb kunnen kopen. Ik las geen Sartre, maar Alfred de Musset,
(…)


We schrijven juni 1967: examentijd. Ik ben vijftien jaar oud. Mijn overgrootmoeder is allang dood.
Ik zit op een katholieke kostschool: mijn vader en moeder hebben het te druk met hun efil rof elggurts. Iedere zondag zit ik op de uitkijk: zullen mijn ouders mij komen bezoeken? Ik haal goede cijfers, ik ben de tweede van de klas, ik ben redelijk geliefd bij mijn kameraden, ik mag voorlezen in de kapel, maar eenzaam. Ben ik. Ik houd stiekem een dagboek bij en wel zó stiekem dat het bij ontdekking door niemand gelezen zal kunnen worden: ik schrijf wel Nederlands, maar bedien mij van het Jiddisch-Hebreeuwse alfabet dat mij door mijn overgrootmoeder is aangeleerd. Van rechts naar links. (.maaznee neb kI). Ik was al zo bedreven in dit kromtaaltje dat ik het zelfs tijdens de lessen hanteerde om aantekeningen te maken. Aan een leraar die dit heeft opgemerkt, heb ik uitgelegd dat het een speciaal soort stenografie is. Godzijdank vraagt hij niet verder. Godzijdank vraagt nóóit iemand verder.

Het is zondag in juni: examentijd. Buiten is het fraai weder. We hebben net de avondmaaltijd achter de rug wanneer broeder Kuif op zijn katheder klimt en op zijn fluitje blaast. Ogenblikkelijk heerst er een stilte die ik sinds mijn kostschooljaren refterstilte ben beginnen noemen. Hij leest het weesgegroet voor, het onzevader, en dan slaat hij het gastenboek open: dit is het boek waarin de namen genoteerd staan van de jongens die ’s namiddags bezoek ontvangen hebben en met hun vader, moeder, broer, zus of weet ik veel welke mispoche, een wandeling naar de Grote Stad zijn gaan maken. Is iedereen nu weer binnen?
(…)
"De naam van de school of van het internaat doet er nu even niet toe," zei ik, toen de borrelglaasjes waren gevuld, "en de échte naam van die surveillant ben ik vergeten. Wij noemden hem gewoon de Flurk. Hij was zeer gevreesd. Wanneer hij een slechte dag had, dan ramde hij er voor de kleinste kleinigheid als een beest op los, bijvoorbeeld wanneer je je muts bij het betreden van het schoolgebouw niet afnam, of wanneer je naar zijn oordeel iets te traag, of even zo goed net iets te snel over het schoolplein wandelde. Hij was absoluut onberekenbaar. Dat laatste was trouwens het ergste: dat je niet wíst wat je aan hem had. Er waren nog wel méér surveillanten die losse handen hadden, de Nelis bijvoorbeeld, of de Cowboy die razend werd wanneer je ook maar een halve voet op de pelouze zette."
"Pelouze?"
"Het gazon. Het grasperk, Martin. Dan werd de Cowboy verschrikkelijk kwaad en kwam hij op je afgestormd, roepend en brullend, maar al met al kreeg je slechts een lel tegen je kop en moest je strafstudie schrijven: vijf Franse werkwoorden in alle vervoegingen."
"Godallemachtig, maar dit is prááááchtig! Vertel verder."
(…)


We hadden het over de Flurk. Ja, dat het een gemene gluiperd was die altijd met een smile op de lippen van hier tot Kuala Lumpur op je afgestevend kwam, alleen kon je nooit inschatten waar je aan toe was. Kwam hij je feliciteren met je laatste goede rapport? Zou hij je vragen om op de vrije zaterdagmiddag met de kapotte volley- en basketballen naar de lokale fietsenmaker te gaan? Of kwam hij glimlachend en doelbewust op je toe geschreden, want hij liep niet, hij schreed, kwam hij alleen maar op je af om eerst een kort, vriendelijk praatje te maken, om je vervolgens, precies op het ogenblik dat je al min of meer gerustgesteld ademhaalde, om je juist dán een ongelooflijk harde maagstoot toe te dienen waardoor je bijna dubbel klapte? Je wist het nooit op voorhand. Een ongeschreven kostschoolwet hield in, ook bij gevechten tussen leerlingen onderling, dat je van een eenmaal gevloerde tegenstander afstand nam en in ieder geval afbleef. Alleen de Flurk bleef zijn slachtoffers ongenadig meppen en schoppen tot er slechts een hoopje ellende van overbleef."
"Ssh ssh…" Martin Ros krabde aan zijn kruis.
"Maar dat was eigenlijk het ergste nog niet. Het ergste was dat je ’s avond, na de laatste studie, bij het beklimmen van de trappen die naar de slaapkamers leidden, dat je je dan bij de Flurk moest gaan verontschuldigen! Alsof niet híj, maar jíj de misdadiger was geweest."
Ik zweeg en hapte naar adem. Een enorme woede, die ik eerder nog nooit had gevoeld, borrelde in me op. Waarom kwam een man, helemaal uit Hilversum, een redacteur van de uitgeverij, een lieve man overigens, een aardige man, een halve geleerde eigenlijk, een dokter Ros – waarom kwam zo’n man naar mij toe om dat allemaal uit me los te peuteren? Ach, Martin deugde. Hij had niets losgepeuterd. In feite had ik dit al lang aan iemand willen vertellen, maar hoe gaat dat in het leven? Over wat voorbij was, daar zweeg je over. Het leven ging door. Het leven ging eindeloos door.
(…)


"Lieten ze hem dan maar zo zijn gang gaan?" vroeg Martin.
"Goeie vriend van me," zei ik, "bij wie moesten we klagen? Iedereen wist wat er gebeurde. Precies zoals iedereen wist dat de kinderen van het weeshuis werden misbruikt. En bij wie konden die terecht?"
"Wat een wereld, wat een wereld! En thuis? Bij je ouders?"
"Martin, ik spreek over katholiek Vlaanderen in de vroege jaren zestig waar men bij wijze van spreken al blij was dat de grote stakingen niet tot een soort volksopstand hadden geleid. De Jiddische was inmiddels overleden, ja, zíj had al wel eens gehoord van mannen met mannen, of mannen met jongens, maar mijn eigen ouders kenden er zelfs geen specifiek woord voor. Er werd hooguit iets gemompeld in de trant van "Die of die is voor de sjokla", een uitdrukking waarvan ik de diepere betekenis hoegenaamd niet begreep,
(…)


"Ach Martin, het is allemaal zo lang geleden. Natúúrlijk gebeurde er wat met "die jongens", althans met sommige. Maar laat ons zeggen dat het overal gebeurde. Slechts bij toeval lekte iets uit. Zo ging dat toen. Weet je, kijk, dat het bij ons, op onze kostschool ten slotte uitlekte, dat had louter met toeval te maken. Ik vertel je wat. Het kwam, geloof ik, en voorzover ik het mij nog herinner, aan het licht door een jongetje van de weesschool, ja, en dat jongetje wilde niet naar de wekelijkse biecht, die min of meer een verplichting was, en toen dat ene, kleine weesjongetje voor de ingang van de kapel stond te huilen en absoluut niet naar binnen wou, toen kwam er een landarbeider langsgefietst, en die zag het jongetje staan, en hij vroeg wat er scheelde, en zó, Martin, werd een enorme machine op gang gebracht, die men weliswaar nog met geld, geloof ik, heeft proberen stoppen, maar het is niet gelukt, en toen híngen ze, al die fijne heren die hun fikken niet hadden kunnen thuishouden. Ik hoef er geen tekeningetje bij te maken dat de media er toen op gesprongen zijn als een roedel verhongerde wolven, met sterk aangedikte verhalen, dat wel, maar feit was dat de Augiasstal toch werd uitgemest. Het was een perfect systeem: de directeur van het weeshuis misbruikte jongetjes, die jongetjes moesten dat gaan biechten, en om Reve te citeren: wie schets onze verbazing en die van vele huismoeders wanneer ik je erbij vertel dat uitgerekend de biechtvader, een pater, mee in het complot zat, zodat die arme jongetjes de sjorres met Mijnheer De Directeur als penitentie nog eens mochten overdoen.’
"Ssh," zei Martin, "Ssh…"

Uit:
Eriek Verpale: Katse nachten (2000), p. 194 en p. 220-239


Vind dit boek in de bibliotheek Gent