terug naar index
Op het uur der verlichting
GENT, 18 Juli 1913

Wij gingen dus samen naar den Kouter, in de feestelijk-gulden lucht, langs de Zondag-zuivere straten. Wij aten er, gezellig tusschen de feestelijke burgerlui, in een restaurant dat ons waardig is. Op het uur der verlichting, - de hemel was groenend geworden en vol tonige tintelingen, - liepen wij de gonzende menigte na onder het gewelf der boomen dat het licht dof verpaarste maar het grint rozig blanken deed; het vierkant langs van het groote plein, dat ledig nog lag en wachtte op zijne dansers. Benedictus sprak mij van zijne jeugd; hij toonde mij, onder het muziekkiosk, den boom waar Maeterlinck eens placht aan te leunen en te oreeren, iederen zomerschen Woensdagavond, bij het volksconcert; hij vertelde mij van de duizend-en-éene minnarijtjes die hij hier had aangeknoopt en, Gordiaansch, doorgehakt. Van dat alles geloofde ik natuurlijk het mijne: ik ken de fantazie van mijn neef, en ik ken zelfs zijn grootsprakerige bedeesdheid; zijne ironie is soms onuitstaanbaar, doordat men te goed gevoelt dat zij niets is dan de reddingsboei van een dweeper die de eigen hulpeloosheid vreest, en nooit nederlagen heeft aangedurfd... (…).

Uit:

Karel van de Woestijne & Herman Teirlinck: De leemen torens (1928), geciteerde editie: Karel van de Woestijne: Verzameld werk, dl. 7 (1948), p. 98-99



Vind dit boek in de bibliotheek Gent