terug naar index
Op het Sint-Pietersplein

Op het St-Pietersplein hadden talrijke kermisreizigers hunne tenten, draaimolens en luchtschommels opgetimmerd, waartusschen zich thans een vroolijke menigte lachend en stoeiend voortbewoog.
Ooverdoovend klonken de valsch-schetterende trompetten en het rinkelen der bellen boven de hoofden der toeschouwers, terwijl de geblankette clown met groote vaardigheid op een ouden soldatentrommel sloeg dat hooren en zien verging.
Kinderen vermaakten zich op de draaimolens, terwijl zij, welke reeds achttien zomers achter den rug hadden, daarvoor de luchtschommels hadden gekozen. De luchtschommels – waren zij ook niet de beste huwelijksmakelaars, die er ooit op dit aardsche tranental bestonden? In de schommelende bootjes, tusschen hemel en aarde zwevend, raakte menig lippenpaar elkander, vereenigden zich beschroomde zuchtjes tot een ademtocht van liefde, terwijl de weifelende handen plotseling ineensloegen en weerstrevende meisjes omstrengeld werden door beschermende armen, die ’t beminde en minnende voorwerp voor schokken of vallen wilden behoeden.
Wat verder, op den hoek eener straat, stonden, onder een groote parapluie, een viertal liedjeszangers, omgeven door een groot aantal toehoorders.
Een verward gezang en ’t geluid van een harmonika, begeleid door allerlei gedruis, gestamp en gehos, steeg uit deze menschengroep op. Alhoewel men geen enkel woord ervan verstaan kon, zag men reeds van op een afstand, aan de beweging van het volk, dat daar een lustig kermislied gezongen werd.

Eensklaps werd alles stil, want een der zangers had de naast hem staande, oude phonograafhoorn opgenomen en schreeuwde er doorheen:
- Geachte omstanders van Gent en omliggende! Nu wij ons lustig kermislied, ons grootste sucses van den dag hebben gezongen, zullen wij ons repertoire vervolgen met ons nieuw sucseslied, getiteld: “De Klokken van Cornevil.”
“Wanneer ik zoo hier en daar eens rondkijk, dames en heeren, dan zie ik dat er onder de omstanders nog talrijke zijn, die onze nieuwe liederen nog niet bezitten en dit mag natuurlijk niet zijn, brave menschen.
“Alvorens wij dus met dit schoone sucseslied zullen beginnen, zal onze beroemde chanteuse nog even met de liederen een rondeke doen. Ge hebt zes, en twee is acht, acht van onze nieuwe liederen, en ze zijn allen op gekende wijze zulle, aan den spotprijs van twee frank. ’t Es nog gien bruud, brave menschen.”

Een buitengewoon dik wijf, met rood gezicht, waaruit een paar kleine gitzwarte oogjes brutaal rondzagen, deed met de nieuwe coupletten de ronde, die door de omstanders gretig werden gekocht. Om haar breede schouders hing los een sjaal met palmen, die haar weeldrige zwaarlijvigheid, omkleed door ’t lichte blauwe zomerjapon, voordeelig deed uitkomen. Een paar oorringen en een kolossale broche, die in de zon schitterde als een monument op een berg, deed haar dadelijk kennen als een vrouw uit de omstreken van Clerken of Rouselaere.
Nadat er een groot aantal liederen waren verkocht, liet de harmonika enkele akkoorden hooren en begon de vrouw, met een schreeuwige stem, gevolgd door de dito stemmen der overige straatzangers, die allen, door het tikken met de punten van hun voeten op de straatsteenen, de maat aangaven:

’t Klink van de kapel,
Die klanken zoo snel,
Daar staken de vogels hun zang.
Klinkt het avonduur,
Dan rust de natuur.
En hoort nu de liefelijke klank.
De klokken van Cornevil ver of nabij,
Hun luiden maakt dan ons harte zoo blij.
Lieflijke zang, klinkende klang.
Edel metaal, hoe menigmaal,
Na bange nacht, komt onverwacht,
Na leed en druk, liefde en geluk.

Wij zullen deze straatzangers, welke, met hun liederen, gouden zaken maakten, nu weer maar verlaten en ons bij Lowie, Mele, de Roste en Stance mee heur vijnt vervoegen, die ondertusschen ook op ’t plein waren aangekomen.
Na eenig zoeken, vonden we Kamiel, Stance en de Roste in een gondel van een draaimolen zitten, terwijl Lowie en Mele, ieder op een paard hadden plaats genomen, welke ze pas na een achttal ritten verlieten, om zich weer in de drukke en joelende menigte te begeven.
- Zeg, Mele, willen we uuk ne kier op da ding goan zitten?.... ’t Schijnt dat het doarop zuu plezant (plezierig) es, riep de Roste, terwijl ze op den Achtbaan van Benner wees, waarop Mele antwoordde:
- Allee joa, … kom Lowie, me goan me uuk ne kier in die voituurkens kruipen… Allee toe, ’t es alle doagen gien fuure.
Allen gingen op den Achtbaan, kropen met hun vijven in één wagentje en… foert, daar gingen ze omhoog, terwijl Mele, Stance en de Roste het uitschaterden van plezier.
De schrik sloeg hun evenwel op ’t lijf, toen ze, daarna, nu eens in de diepte en dan weer omhoog vlogen en bij het eindpunt riep Stance:
- Vuur gien geld van de wêreld krijgen ze me nog op da ding!... Ge zoe ’t er me ziele uw duud op hoalen.
- Bè, om de woarheid te zeggen vond ik da nog zuu kontrarie nie, ‘k zoe er nog wel ne kier willen opzitten, antwoordde Mele en hernam:
- Zeg, kribbelde da bij ulder uuk zuu in ulder buik?... Diu, nu zijn’k die smerige sletse kwijt… ‘k weet zeker dan’k hem in da voituurke (wagentje) heb loaten liggen.
- Moar Mele, hoe es da nu toch meugelijk? Zijt ge da tons nie sebiet gewoar geworden? vroeg haar man.
- Hoe zou een mijnsch da nu gewaar worden, mee al da gekriebel in uw buik… ‘k Enne ‘k ik tons heelemoal aan die sletse nie gepeist.
Lowie besteeg het trapke van den Achtbaan, teneinde aan het personeel te vragen, ofdat ze ook een slof gevonden hadden, doch deze bleef totaal onvindbaar.
- Mele jonk, ze kunnen hem nie vinden, zegde haar man, waarna de Roste vervolgde:
- Gij dwoaze konte die ge zijt… Hoe es ’t da nu toch meugelijk om alzuu uw sletse te verliezen?
- ’t Es al de schuld van die Poatre doar… Had hij uuk achter mijn schoen gegoan, dan had ik da allemoal nie gehad.
- Moar Mele, wa goan me nu van den avond nog allemoal mee ulder tegenkommen? Es da nu nie iender, of dadde nu hier mee ne schoen en ne sletse, of mee ne schoen en op uw kouse luupt? kwam Stance er tusschen.
- Mercie Stance, moar mee da alles zijn ‘k nu toch me sletse kwijt.
- Ge zal gij wel leeren noar de fuure goan, merkte Lowie op, welke zich alles, behalve gemakkelijk, in zijn gespannen costuum gevoelde, en hernam:
- Mele jonk zoe’n me nie beter noar huis goan?
- Noar huis?... ‘k zoen ie geerne; al most ik hier een hielen oavond op m’n bluute puuten luupen.

Nadat ze hier nog een tijdje geredetwist hadden, gingen ze weer verder, bezochten hier en daar nog een kleine inrichting en kwamen eindelijk aan “Het Lunapark,” alwaar ze ook eens binnen gingen.
Jongen, jongen, wat ging dat plezierig, op die riemen, die bruggen, en op die rollende trappen.
Stance, de Roste en Mele, ondanks met één schoen, waren gewoonweg niet meer te houden en zoo gauw ze aan het eindpunt waren, begonnen ze weer van voren af aan. Ook Kamiel en Lowie deden dapper mee en allen schaterden het nu en dan uit van plezier.

Toen ze met z’n vijven boven stonden, zegde Stance:
- Allee nu goan we ne kier allemaal tegelijk van die rollende trappen, nie-woar?
Dit voorstel werd aangenomen en allen zetten zich neven elkanderen en… bom, bom, bom, daar ging het naar beneden, alwaar ze bovenop elkanderen vielen en het uitschaterden van pret.
Alleen Lowie was, na deze algemeene rolen valpartij, erg stil geworden. Hij had zich tot achter het orgel teruggetrokken, want, tot groote ontsteltenis had hij vastgesteld, dat zijn broek gescheurd was en zijn vaan er door stak.
Stance en Mele, welke meenden, dat Lowie zich uit grap wilde verschuilen, kwamen achter het orgel gevlogen en trokken hem, aan den arm, door het Lunapark, terwijl hij zacht tot hen zegde:
- Mele en Stance, loat me in Godsnoam gerust… M’n broek… m’n broek…
Wanneer het aanwezige publiek, dat inwendig, om Lowie’s costuum, toch al zoo gelachen had, bemerkte dat er een halven meter hemd uit zijn broek stak, barstte er een luid gelach en groep los, terwijl de Roste, welke dit ook bemerkt had, verontwaardigd riep:
- Moar Lowie, nu hebt ge heel m’n vent z’n broek gescheurd!... Moar da zijn nu toch gruute dingen!... Jongen, jongen, als me vent da vandoage of morgen huurt zeggen,… geluuft me, ‘k zal tons weten aan wa prijs.
- Maria jonk, ge meugt me da nie kwalijk nemen… ‘k Kan d’r niks aandoen,… die broek was me uuk veel te kleine, stamelde Lowie, verlegen.
- Te kleine, te kleine… waarom edde’m tons aangedoan?... Mijnsch, mijnsch, da zijn toch gruute dinge… Ge zijt tons ne kier goed om een mijnsch te helpen. Jongen, jongen, ge meugt er nie goed op peizen…
- Zeg Maria, zijt ge nu nie beschoamd om me vijnt, in ’t bij-zijn van al da volk, a-zuu te affronteeren (te beleedigen)? Nee da had ik van u nuuit gepeist zulle, kwam Mele, die partij voor haar man trok, er nu tusschen.
- ’t Es woar Mele, stemde ook Kamiel toe en vervolgde tot de Roste:
- Neen ’t zulle Marie, ‘k vin dat uuk nie schuune en dabor (daarbij) wa kan Lowie doar nu aandoen, dat die broek te kleine es?
- Dan had hij hem nie aan z’n vel moeten trekken.
- Woarom hebt ge hem tons gegeven?... Wacht Lowie, ‘k zal u m’n pardesu (overjas) geven, want ge kunt u toch a-zuu niet over stroate luupen, nie-woar.
- Groag Kamiel, moar ‘k zou nu toch moar liefst naar huis goan, want ‘k vind dat het nu mee ons, van de oavend, al wel es.
- Me goan me te-goare nog ne kier rond de fuure en tons noar huis, antwoordde Stance, en vroeg daarna:
- Vindt ge het allemoal goed?
Allen stemden hierin toe, want ’t meeste plezier was, voor hen, nu toch geweken en na een half uur begaven ze zich huiswaarts, waar Lowie en Mele, alvorens te gaan slapen, met de Roste nog een heftige woordenwisseling hadden.

Uit:
Pierre van de Moortel: Avonturen in de avonduren (1930), p. 93-101


Vind dit boek in de bibliotheek Gent