terug naar index
Op de brandstapel

Daar liet zich weer de gemoedelijke stem van Plantijn hooren:
– Eilaas, het eene geslacht breekt af en verbrandt wat het andere had opgebouwd. Zal ook ons werk gespaard blijven? Toch staken wij daarom den arbeid niet, en doen gelijk de zaaier die zijn graan strooit, en het overige overlaat aan den zegen van den Heer.
– Zoo is het, meende de apotheker, alhoewel ik toch liefst niet getuige ben van strafuitvoeringen. Galg en brandstapel zijn een dagelijksch vertoon geworden, en toch doen zijn mij ieder keer kippenvleesch krijgen wanneer ik die moet bijwonen.
– Een rechter moet stalen zenuwen bezitten, bevestigde de ridder.
– Ik dacht dat de mijne ook van staal waren, ging de apotheker voort, maar dat belet niet dat ik een koud waterken over mijn ruggraat voelde loopen toen ik den medicijnenkandidaat Schoenlap en den zeepzieder Andries in het strop zag hangen op de Veirleplaats te Gent!
– Gij hebt dat bijgewoond? vroeg de monnik.
– Ik heb het bijgewoond, en de beulen hadden dien dag hun handen vol. Daar werden ook vier herdoopers uit de Kempen levend verbrand. Alhoewel ik er van gruwelde kon ik toch mijn oogen van de vlammen niet afwenden, en ik zag het heele drama voltrekken. Gij hebt zeker reeds meer dan een terdoodveroordeelde bijgestaan, pater?
– Neen… ja, antwoordde de vreemdeling verward en opgewonden. Eenmaal heb ik er een bijgestaan, en zag hem door het vuur verteren. Afschuwelijk, afschuwelijk, mompelde hij als tot zich zelf, en zijn blikken bleven starlings op de haardvlammen gericht.

De apotheker vertelde voort.
– De vier herdoopers, vier hoedenmakers uit de Kempen, enkel gekleed met een linnen rokjen dat tot aan hun knieën reikte, verlieten bibberend het kasteel om levend verbrand te worden.
(…)
– Toen de vier jongelingen het Gravenkasteel verlieten, ontstond er een groot gedrang onder het volk dat zoo dicht mogelijk den brandstapel wou naderen. De oudste der herdoopers telde zeker geen vier en twintig jaar. Een der beulsknechten deed ze gauw de ladder opklimmen naar het schavot, waar de hut van takkebossen en stroo, met de vier staken, hen wachtte. Toen de laatste op het schavot beland was, liet hij zich onmiddellijk op de knieën neervallen, den rug naar het volk gekeerd, om zijn gebed te beginnen. Maar de Spaansche bevelhebber schoot driftig toe, en deed de veroordeelden in de hut stampen. Een hunner werd reeds door een beul vastgegrepen die hem wilde wurgen alvorens hem aan de vlammen over te leveren. De Moestro del Campo echter snelde andermaal toe, en riep dat zij levend verbrand moesten worden zooals het vonnis luidde. Onderdanig daalde de beulenhoofdman weer de ladder af, en toen het volk hem met een gesloten mand zag bovenkomen dacht alleman dat het een mand was met pakken buskruit die men gemeenlijk op de borst der veroordeelden vasthecht om hun pijnen in het vuur te verkorten.
Ik heb onlangs op die wijze nog een tooveraar zien verbranden, en toen het volk het buskruit hoorde ontploffen, waren er bijgeloovige lieden die riepen: “Dat is de duivel die met zijn ziel gaat loopen!” Als nu de beul zijn mand opendeed, kwamen er geen poerpakken maar kettingen uit om de herdoopers aan de staken vast te klinken. Ik herinner mij nog goed dat er op dit oogenblik een donkere hemel boven de Veirleplaats hing, en er blies een felle wind die mij de ooren in mijn mantelkraag deed wegstoppen.
Eenieder, in angstige spanning, had thans het gelaat gericht naar het schavot waar de vier Kempenaars in de hut verdwenen waren. De kettingen rinkelden, maar dit gerinkel werd verdoofd door hun stemmen die, in koor, een zang aanhieven. De Spaansche overste trappelde van ongeduld. Reeds stond een der knechten met een toorts van stroo in de hand en slingerde ze zonder dralen in de hut. Schrikkelijk snel breidde de vlam zich uit, kronkelde knetterend door de takkenbossen, en een reuzig donkerblauwe rookwolk omhulde het schavot.
Maar de wind wakkerde het vuur aan dat rood in den rook opdanste, en het werd een ziedende vuurkolom die de toeschouwers op verren afstand met haar verzengenden adem deed wijken, en aan den brandstank van het hout en het stroo den reuk mengde van roosterend menschvleesch. Het gezang der herdoopers was vergaan in een stenen en kermen dat zwol tot een onmenschelijk gehuil naarmate de beet van de vlam hun lichaam teisterde. Het gebrul duurde niet lang want hun kreten stikten langzamerhand in dit fornuis waarin men soms, dwars door de rookgulpen en den gloed, hun verteerde lijven zag krinkelen…
– Zwijg!
Als een bezetene was schielijk de vreemdeling rechtgewipt die, gedurende het laatste gedeelte van Van Coudenborch’s verhaal, zoo ademloos en zoo bleek naar de vlammen van den haard zat te staroogen als zag hij daar het drama der Veirleplaats afspelen.

Uit:
Jef Crick: Monica (1932-1933), geciteerde ed. 1944, p. 22-25


Vind dit boek in de bibliotheek Gent