terug naar index
Oorlogssporen in Gent

Na de wapenstilstand van 11 november 1918 bezoekt de beroemde Engelse auteur Aldous Huxley Vlaanderen, samen met zijn geliefde Maria Nys, de dochter van een West-Vlaamse textielbaron, die bij het begin van de Eerste Wereldoorlog naar Engeland was gevlucht en als kindermeisje in de Bloomsbury-groep terechtkwam.

De trein vertraagt en stopt in alle stations. Net zoals het landschap verandert ook het weer: in Frankrijk klettert de regen tegen de ramen en groeien populieren aan weerszijden van de weg. De locomotief laat een schril gefluit horen, de trein vertraagt en komt voorgoed tot stilstand in Rijsel. Verder gaat de trein niet want in België zijn de sporen opgebroken. Moeske brengt haar vier dochters in een taxi naar de ruïne van het Sint-Pietersstation in Gent waar zij in de armen vallen van Hector en Sidonie, hun trouwe huisknechten van voor de oorlog. De fabriek, het mooie huis in Bellem en de wolmolen zijn zwaar beschadigd door geallieerde bommen en onbewoonbaar verklaard; er zit weinig anders op dan meteen door te reizen naar het grootouderlijk huis van Bonne-Maman en Grand-Père Baltus.
(…)
De golven sproeien een waaier van regen en schuim op de pier van Oostende. Aldous heeft een zitplaats gereserveerd op de Brussels Express. Hij mag een beetje laat zijn, zes of zeven minuten; omdat hij in Eerste Klas heeft gereserveerd, zal de trein niet vertrekken vooraleer hij zijn plaats heeft ingenomen. Aldous zit in de hoek aan het raam, met het kleine vouwtafeltje neergeklapt. Op het tafeltje ligt een bruine papieren zak met een kilo lichtgezouten grijze garnalen. Zij zijn sappig en knapperig en Aldous smult met smaak van de garnalen. De koppen en de staarten werpt hij uit het raam. De trein maakt zich langzaam los van het station en het Vlaamse land met zijn lange rijen populieren, scheefgeblazen door de wind, glijdt in steeds grotere snelheid voorbij het raam. Het belfort van Brugge, het ongelooflijk moderne station van Gent dat door de Duitsers is kapotgeschoten en leeggeplunderd, de rokende fabrieksschoorstenen van Aalst en de buitenwijken van de hoofdstad.
(…)
In april 1919 verstuurt Aldous zijn eerste bericht uit België. De brief is afgestempeld op het hoofdpostkantoor van Sint-Truiden (...) Het is echt ongelooflijk wanneer we allemaal samen aan tafel zitten – zulk een buitengewone verzameling verschillende karakters. Dan zijn er al die andere ooms en tantes – allemaal rijke commerçants die in grote en afschuwelijke huizen overal in de stad wonen. Sommigen maken laken, sommigen suiker, anderen doen een beetje vanalles. Ik heb de indruk dat mijn verschijning hen tamelijk gerustgesteld heeft. Ik beeld mij in dat zij een brullende leeuw hadden verwacht: tot hun opluchting vonden zij een schaap. Wij vertrekken voor een tochtje naar het vernielde huis van vader Nys in Oost-Vlaanderen en onderweg bezichtigen wij Brussel, Gent en Brugge. Ik ben heel gelukkig.

 

Uit:

Stan Lauryssens: Mijn heerlijke nieuwe wereld: leven en liefdes van Maria Nys Huxley (2001), p. 47-50



Vind dit boek in de bibliotheek Gent