ONZE GENTSCHE WERELDTENTOONSTELLING

Gent, 29 Juli 1913

Gij kunt u niet inbeelden, Herman, hoe onze Gentsche wereldtentoonstelling mijne keel uithangt. Het regent er haast altijd; er is bijna nooit iemand; en de knappe jongen van een bouwmeester die ze heeft ontworpen, kwam op het denkbeeld, dat hij uitvoerde, er eenheid-in-stijl te doen heerschen, wat de verveling aankweekt, voedstert, vetmest. Ik kan heel goed tegen gebrek aan verscheidenheid, als dat gebrek maar het verstikkend-logge gewaad van wit pleister niet draagt, van verlaten pleister onder den regen, zooals deze expositie. Dit ware nog niets, als zij mij, deze treurige foor, met vrede liet. Maar dit is niet het geval. Wij exposeeren, gij weet het. Mijn vader-zaliger, een ingenieur die zeer melancholisch was, heeft allerlei tuigen uitgevonden die wij hier in de fabriek vervaardigen. Die hebben wij nu uitgestald. En het ongeluk wil dat een boel Duitschers, die nieuwsgierig zijn als wildemannen, daar al het fijne van weten willen. Zij komen er mij dagelijks zonder bescheidenheid over uitvragen, ik die daar niet het minste verstand van heb. Het maakt mijn tegenwoordig leven tot een wreveligen last.

Gelukkig doen zich wel eens in die tentoonstelling gebeurtenisjes voor, die mij meer interesseeren dan, bijvoorbeeld, flirts van Gentsche meisjes met menschenetende negers, of de luid-uitgesproken woede van professoren in de aesthetica voor Fransch neo-impressionisme (ik zal u de ‘chronique scandaleuse’ van onze World's Fair maar niet verder opdisschen). Daar is bijvoorbeeld het relletje op het Fransch concert van deze week, dat wel eenige aandacht waard is. Gij zult de feiten gelezen hebben in de krant: een groep Vlamingen heeft het kwalijk genomen, en met luidruchtigheid, dat een concert geheel aan Fransche meesters gewijd was. Zij zagen daarin een uitdaging aan, en ja eene negatie van de Vlaamsche muziek. En ik die dacht dat de Vlaamsche beweging, in hare jongste en hoogste instantie, eene kultuurbeweging is, na archaïseerend en literair, na politiek, na oeconomisch-sociaal te zijn geweest; een kultuur-beweging die eerbied zou hebben voor welke uiting van den geest, van waar ze ook kome, en in de eerste plaats dan voor de schoonheid uit Frankrijk, grondslag immers, van in de Middeleeuwen, waar, naar bleek, de Vlaamsche schoonheid het zekerst op bouwen kon! Maar de flaminganten hier te Gent hebben daar een anderen kijk op; zij kunnen de slechte manieren van het meeting-flamingantisme, dat in de politieke periode van de beweging noodig was maar nu toch moest hebben uitgediend, - zij kunnen hunne slechte manieren niet afleeren. En wat ik vooral het ergste vind, Herman, het ergste voor mij, het ergste voor ons: het is onze vriend Lodewijk de Koninck, de artistiek-aangelegde, die heel het spel op touw had gezet met dat Fransch concert, hij en zijne makkers die met jouwen en stoelen-gooien begonnen zijn. God bewaar mij: hij heeft er zelfs een rammeling bij opgeloopen, en dat heb ik maar half jammer gevonden. Wat mij echter spijt is, dat jonge, schrandere menschen, die het toch wel beter weten, met De Koninck in zijne dilettanterige brutaliteit meêloopen. (…)

Uit:

Karel van de Woestijne en Herman Teirlinck: De leemen torens: vooroorlogsche kroniek van twee steden (eerste publicatie in: De Gids, jg. 81 (1917), gecit.ed.: Karel van de Woestijne: Verzameld werk, dl. 7 (1948), p. 118-119




Vind dit boek in de bibliotheek Gent