terug naar index
Negenmeimarkt

Welnu, de negen Meimarkt was ruim voorzien van paarden, maar de koopers en verkoopers waren bij lange zoo levenslustig niet, en alles ging op vezelen [zenuwen], want als twee menschen bijeen stonden te klappen, draaiden algauw een paar burgerlijke en militeeren moechards [verklikkers] rond, die alles afluisterden wat er gezegd werd en met voor het publiek onzicht[bare] Erneman’s kodaks rond liepen om fotos te nemen, zoodat de menschen schuw weggingen, en nog schuwer naar den spi[o]n keken, die met de vinger aangewezen werd. En zeggen dat de markt vóór de bezetting van 1940, duizende[n] toeschouwers en wandelaars had, dat [het in] de herbergen langs den Antwerpschen steenweg van Gend tot den Potuit volle bak was, en er geen plaats te verkrijgen was, dat op de Kappellenberg konzert gegeven werd door een muziek maatschappij, en overal plezier was, voor de grooten in de staminees, voor het jonge volkje bij de talrijke scharlatans, draaimolens, gebakkramen en diens meer.


Welnu, heeren der bezetting, als gij op die wijze meent het Vlaamsche volk naar uwen kant te krijgen, trekt gij aan een verkeerde kant, en zoo gij, bij gebeurlijke ontruiming – en het Vlaamsche volk denkt er niet minder aan, en de oorlog zal toch niet blijven duren –, zal het Vlaamsche volk dansen en springen van blijdschap dat het van zijn boeien ontslagen is en van zuren ijzerbijters verlost zal zijn!


En wij, leutige Vlamingen, en joviale kerels, die in 1914 uitgeweken waren in Scotland, dachten ons terug te vinden in de droevig eentonige en doodende zondagen aldaar, en zou de bezett[er] [dat] ingebeelde staatsgevaar niet beter inzien, want [door] het volk in zijn innerlijke en uiterlijke genoegens en levenswijze te dwarsboomen bestaat er meer gevaar voor uw doodende taktiek dan anders. Als dat het plan der vrijheid is, waarmede gij zo hoog oploopt – evenals de Engelandsche koloniale ekonomi[sche] politiek – mag zij ons gestolen worden en kunnen [wij] uwe zoogenaamde “Nieuwe orde!” missen! Voor het laatst, men vermur[w]t het hart van een veroverd volk niet met het als krijgsgevangenen te behandelen, maar wel met het vrijelijk te laten leven in zijn eigen doen en laten, bij zooverre dat de staat niet in gevaar komt. Vergeet niet dat de vijand in het buitenland nog waakt! Verzin[t] eer gij begint! Vooraleer het te laat is, is alle tegemoetkoming voor u voor eeuwig verloren. Dit zijn de woorden die een eenvoudige werkman[-]schrijver tot u richt en [die] het werkelijk meent!

Uit:
Oskar Verburgt: Smokkelaars en woekeraars (1941), p. 13-14 [typoscript]