terug naar index
Naar Lourdes-Oostakker

Enkele Gentse jongelui, blijkbaar uit gegoed milieu,overleggen hoe zij de namiddag aangenaam kunnen doorbrengen. De tekst is in ongewijzigde spelling overgenomen uit het typoscript.

 

- Bertrand (met guitige lach): Zeg, jongens, willen wij eens naar Lourdes-Oostakker gaan? Wij zouden daar nog schoone loetjes vinden, waar wij ons van de nacht eens kostelijk zouden mede vermaken. Wij kunnen toch niet altijd naar de lusthoven aan de Leie gaan paradeeren, om daar naar vakvischjes te hengelen. Daarbij het zijn altijd naaisterkens, winkeljuffers, bazarieffers van de Sarma, Innovation, tiepisten, waar er niet veel aan te peuteren valt, en die drie kwart verslunst zijn, als de oude pataten groezen op Sent Pietersdag of de 9 juli van ieder jaar.
- Benoni (pruilend): Wat zouden wij daar gaan doen, bij die kongregatie-ieffers, die meer aan Lieve Vrouw of Bernadette denken, dan aan ’t mansvolk, en ginder bidden dat hun tanten klapperen, gelijk iemand die aan bevende seskens of Sent Vitusdans lijdt. (Hij maakt aanstalten om weer –te keeren).
- Bernard (opgeruimd): Ik ben kontent, om dat eens van dicht bij te zien, en die loetjes met eigen oogen te aanschouwen. Ik heb gehoord van mijn tante, die in de Uilkenstraat woont, dat op Sente Jansdag of Sente Janszomer, de kongretatie meiskens van Sente Kolette...
- Bernard en Benoni (schieten in een luiden lach bij het hooren van Sente Kolette).
- Bernard (hen ernstig beziende): Waarmede lacht gij? Ik bedoel niet die versleten sterren of maagdekens van beneden staake van dat plezierkot uit Onderbergen, maar wel de diftige patronagie meiskens van de parochiekerk Sente Kolette uit de Taliestraat, die een beêvaart naar Lieve Vrouw van Lourdes komen, om aan eenen man te geraken.
- Bernard (met de tong in den mond smekkend): Daar zijn schoone loetjes bij, wel gevleeschd van armen, billen, buik en voor fasade, blozend als een kriek, innemend als een uitgehonderde hond, verleidende oogen, schoon mondje, klein neusje, kortom, ideale meiskens, bekoorleijk en poezelatief voor ons arme zondaars (hij lekt zich de lippen af, en vaagt wel gemoed zijn buik over en weer) van oude jonggezellen, om een lekkerhapke deze avond te hebben, en een maagdebloemeke te plukken, die nog zuiver en onbevlekt is.
- Bertrand en Benoni (luisteren met wijd geopende ooren, met begeerige oogen, met een fijn glimlachje om den mond naar het gezegde van Bernard, vrijzen zich de handen van de vreugde die zij te gemoet gaan, wijl zij eenige stappen voor en achterwaarts doen dat aan liefde ydillen doet denken).
- Bernard (de tong smekkend): Gij moet weten, jongens, dat de meiskens van Gent Pieters-Buiten geen oliekoeken, maar knappe deernen zijn, geen afgelekte boterhammen, als die mode-ieffers van de stad, die men benijdt zou zijn aan te duwen, daar zij in tweeën zouden breken, maar ons parochie meiskens zijn nog halve boerinnen, die allen in een singel huis wonen, gezond en openluchtig, en veel op het land werken, niet in ellendige woonkazernen wonen, als in de Scheldemoord der Heernis, waar licht en lucht ontbreekt, als in dien bommenkelder aan Sent Pietersstasie. Daarboven zij zijn goed van innemen en kunnen tegen een bots, en zouden u meehelpen, als gij te kort komt in uw spel.
- Bertrand (de handen vrijvend van genoegen): Dus wij gaan naar Lourdes-Slotendries. (zingend)

[Hierna volgt het lied Naar Lourdes-Slootendries dat eerder (met enkele varianten) in jrg. 1930-1931 van het tijdschrift Het Morgenrood is opgenomen – zie daarvoor het afzonderlijk fragment]

Uit:

Oskar Verburgt: St. Jans-Liefdevuur (gecit. ed. 1941) [typoscript], p.  10-12