terug naar index
Krant voor Jean De Kremer (= Jean Ray)

De 15-jarige Gentse volksjongen Spijker komt op zijn dagelijkse krantenronde langs bij de pittoreske professor Jean De Kremer (een personage geïnspireerd op de figuur van Jean Ray).

De New York Times was een krant met een probleem. Hij werd gedrukt op flinterdun bijbelpapier om de overzeese verzendingskosten te dempen maar was daardoor ook zeer kwetsbaar. Het hoefde maar een beetje te motregenen en de krant vertoonde al tekenen van ontbinding. Door een paar druppels krulden de pagina’s al om of plakten ze aan elkaar. Een bodempje water in Spijkers fietstas was voldoende om de krant te veranderen in een hoopje kleverige papierpulp. Dus stond de laatste van Spijkers krantenronde, Jean De Kremer, bij elke weersvoorspelling waarin sprake was van een laag drukgebied boven de Azoren, te wachten voor zijn graffitideur met een paraplu in zijn handen. De Kremer was bijna twee meter groot en liep een beetje gebogen alsof hij in zijn leven tegen teveel lage plafonds was aangebotst. Hij had dunne, witte haren die hij achteroverkamde met een raar soort reukwater dat rook naar oude zolders en verse speculaas. Hij had aapachtige slungelarmen, vingers die nooit stil bleven staan en enorme voeten die geschapen leken om te struikelen. Op zijn grote mond hing een wit spatje kwijl dat steeds maar van lip leek te verhuizen als hij begon te praten. Nou ja, praten. De Kremer praatte niet, hij riep voortdurend, alsof hij de gewoonte had toespraken te houden zonder microfoons in winderige stadsparken en niet meer besefte hoe een mens normaal spreekt.
Hij deed Spijker denken aan Attila, de leraar fysica die zijn formules vol trillingen en frequenties met zijn schetterstem in je hersens dreunde. Die formules trilden je ene oor in en je andere weer uit. Zo ging het ook met de standjes van De Kremer. Hij noemde Spijker ‘de snotneus’. Of de snotneus zijn krant niet onderaan maar bovenaan in zijn fietstas kon stoppen zodat die niet verkreukeld werd door het gewicht van de andere kranten? Of hij erover kon nadenken om zijn krant in een plastic hoesje te stoppen bij regenweer zodat hij de vochtige pagina’s niet met een pincet van elkaar moest trekken om ze vervolgens te kunnen lezen? Of de snotneus wel besefte hoeveel een abonnement op de New York Times kostte? Of de snotneus soms dacht dat hij, Jean De Kremer, een ezel had die geld kon schijten? Spijker knikte en bleef maar knikken terwijl de woorden in en uit zijn oren gutsten en De Kremer met zijn veel te lange armen liep te zwaaien. De Kremer belde wel eens naar het verdeelcentrum om zijn beklag te doen, maar omdat hij dat al jaren deed bij elke nieuwe krantenbezorger, werd er verder geen aandacht aan besteed. Blijf jij maar roepen ouwe gek, dacht Spijker terwijl hij zijn fiets omdraaide, je kunt me niets maken.
(…)

Het werd Spijker in de eerste maanden van zijn krantenronde duidelijk dat brievenbus De Kremer niet alleen problemen had met zijn krantenbezorgers maar ook met de rest van de wereld. Op een ochtend kwam Spijker bij het verdeelcentrum aan en De Kremer had hen net gebeld om te zeggen dat de snotneus zijn krant niet in zijn brievenbus moest stoppen maar afgeven op het politiekantoor en wel aan hem persoonlijk. De chef van het verdeelcentrum had Spijker op het hart gedrukt dat hij dat niet hoefde te doen en dat hij de krant gewoon in de brievenbus kon stoppen. De chef vond het te stom voor woorden, een krant afgeven op het politiekantoor. Maar Spijker was nieuwsgierig. Wat deed De Kremer op het politiekantoor? Was hij soms privé-detective? Een informant van de politie? Spijker fietste nog voor het begin van zijn krantenronde naar het politiekantoor met de New York Times onder zijn arm. Er zat maar één politieman aan de balie. Op een rechthoekig plaatje ter hoogte van zijn borstzak las Spijker zijn naam: De Schamfelaere, John. Het was kwart voor zeven ’s morgens en De Schamfelaere, John zag er moe uit. Hij zat de laatste minuten van zijn nachtdienst uit. Het kantoor was nagenoeg verlaten. De politieman deed een poging om Spijker met een glimlach te begroeten. Spijker hield de krant in de lucht.
- ‘Ik moest deze krant persoonlijk afgeven aan professor Jean De Kremer,’ zei Spijker een beetje ongemakkelijk.
De glimlach van De Schamfelaere, John verdween onmiddellijk. Hij zuchtte, streek de haren van zijn snor glad en stond op.
- ‘Is hij hier?’ vroeg Spijker een beetje overbodig.
- ‘Jammer genoeg wel,’ zuchtte de politieman en hij plukte een stel sleutels van een haak. Hij wenkte Spijker om hem te volgen. Ze gingen de trap af naar de kelderverdieping. En in die kelder zat, inderdaad, De Kremer. Achter tralies. Hij zat alleen in de cel. In de andere cellen van de gang zaten verschillende gevangenen bij elkaar. Ze sliepen allemaal op bedden die er erg hard uitzagen. Er werd gesnurkt bij het leven.
- ‘We hebben hem apart moeten opsluiten,’ legde de politieman vermoeid uit. ‘Hij werkte vreselijk op de zenuwen van de andere gevangenen. En op de mijne.’ 
De Kremer sprong op toen hij Spijker zag. Hij kon niet geloven dat zijn krantenbezorger daadwerkelijk was gekomen. Voor het eerst glimlachte hij naar Spijker die hem de krant aanreikte.
- ‘Wat doet u hier?’ prevelde Spijker.
- ‘Ach,’ haalde De Kremer zijn schouders op, ‘opgepakt voor een niemendal. En ze kunnen hier niet eens thee zetten.’
- ‘Een niemendal,’ kreunde de politieman vermoeid, ‘verstoring van de openbare orde noem ik geen niemendal.’ 
- ‘Verstoring van de openbare orde!’ riep De Kremer naar de politieman met een stem die weergalmde in de kelder, ‘je weet niet wat je zegt, snotneus.’
Het werd Spijker duidelijk dat De Kremer iedereen onder de vijfenzestig een ‘snotneus’ noemde. Zijn klinkende stem had al dadelijk een paar andere gevangenen doen opschrikken. Iemand mompelde dat hij wilde verder slapen. De Kremer trok er zich niets van aan.
- ‘Ik heb een waardevol gebouw beschermd met mijn eigen lichaam,’ oreerde De Kremer, ‘dat gebouw dateert uit de zeventiende eeuw. Het heeft muurschilderingen van de gebroeders Van Cleef en die projectontwikkelaar…’
- ‘Diegene die in het ziekenhuis ligt…’ vulde de politieman aan.
- ‘Had hij me maar geen ouwe zot moeten noemen,’ riep De Kremer terug, ‘ik kon toch ook niet weten dat hij een kaakbeen van marsepein had.’
- ‘Elf hechtingen,’ zei de politieman, ‘dat wordt een rechtszaak, De Kremer.’
- ‘Ik kan niet wachten,’ riep De Kremer, ‘ik hoop dat die projectontwikkelaar een goede advocaat heeft.’
- ‘Jij blijft hier in de cel tot het gebouw volledig gesloopt is,’ riep de politieman terug, ‘en de volgende keer dat je hier komt, zal het niet voor drie dagen zijn.’
- ‘De volgende keer dat ik hier kom, zorg je maar dat je drinkbare thee hebt, snotneus,’ riep De Kremer terug.
- ‘Als je nog klachten hebt, kan je die doorgeven aan commissaris De Backer.’
- ‘De Backer? Toch niet Felix De Backer?’ gromde De Kremer. ‘Zijn vader was een vriend van mij. Die commissaris van jou heeft nog paardje gereden op mijn knie. En ik heb hem laten boeren over mijn schouder. Hij had als baby last met zijn spijsvertering. Maar daar is hij nu overheen, neem ik aan?’
De Schamfelaere, John keek De Kremer aan alsof die hem zonet had verteld dat zijn schoonmoeder bij hem kwam inwonen. 
- ‘Keurige man, zijn vader,’ zuchtte De Kremer, ‘hij is al lang gesneuveld, natuurlijk, de arme kerel. Kanker.’
De Kremer hoestte. Het was een diepe, schrapende hoest die van erg diep leek te komen. Hij ging zitten en kwam langzaam op adem. De hoest leek het enige te zijn wat De Kremer de mond kon snoeren. De politieman maakte van de gelegenheid gebruik om Spijker bij zijn schouder te nemen. Hij wenkte hem met een hoofdbeweging. Ze liepen zwijgend terug naar de trap.   
- ‘Hé, snotneus,’ riep De Kremer schor.
Spijker en de politieman keken tegelijk om.
- ‘Bedankt voor de krant.’
Spijker knikte.
Sinds die dag klaagde De Kremer niet meer over zijn krantenbezorger. Sinds die dag nam De Kremer, zelfs bij helder weer en hoge drukgebieden boven de Azoren, de krant persoonlijk in ontvangst. Dat ging zo door tot op de dag voor kerst. De dag waarop de wereld voor Spijker bijna ophield met draaien.

Uit:

Jean-Claude van Rijckeghem en Pat van Beirs: De zevende sluier (2003), p. 8-9 en 10-13



Vind dit boek in de bibliotheek Gent