terug naar index
Jan Hembyze, dictator

“Custos, quid de nocte?”
Jonker Jan had de gewoonte elken morgen met die spreuk binnen te vallen bij zijn vriend, Jan Portant, die uit Antwerpen moest vluchten onder beschuldiging van tooverij, en zijn intrek had genomen op een der bovenkamers van het huis van den Gentschen volksmenner in de Voldersstraat.

De sterren-wichelaar moe gekeken op een grooten wereldbol die vóór hem stond, lei zijn ganzenpen neer, ging vóór het venster met de kleurige ronde ruitjes staan en verklaarde plechtig, terwijl hij even zijn bril afnam en hem tegen het zonlicht hield.
– Ik zag dezen nacht een buitengewone ster stralen, meester Hembyse. Haar staart van vuur zette heel den hemel in gloed. Maar plots werd zij door donkere wolken bestookt.
(…)


– Portant, uw wereld is niet de mijne! Gij zijt de man der wetenschap, en regeert over zonnen en sterren. Kijk, aan onze voeten ligt Gent en daar omheen ligt het Vlaamsche land dat bloedt onder den hiel der tirannen. Dit is mijn wereld. Over die wereld wil ik heerschen.
Hembyse had een raamken opengedraaid en een bundel vroolijk zonnelicht tuimelde binnen, maar hij hield schielijk op met spreken en spitste zijn scherp oor.

Uit de stede onder hen, waarboven het Gravenkasteel opbonkte, steeg een verward gedruisch op en een ver getrappel van paarden.
– Zou het oproer reeds de horens opsteken? vroeg Portant die even zijn vierkanten baard, waarin de wind wabberde, boven de daken uitstak.
– Neen, de horens zijn nog niet volgroeid, zei Jonker Jan ernstig. Maar zij groeien snel!
(…)


De  wichelaar kwam naast den oude zitten die geheimzinnig een paar kleine perkamenten uit zijn wambuis haalde.
– Bekijk dit eens goed, en zeg me wat ge daar van denkt.
– Het schittert als de sterren! fluisterde Portant in bewondering wijl hij voorzichtig de kostelijke stukken in zijn handen hield.
– Dit is mijn firmament, verklaarde Hembyse leuk. Zou het mij geluk voorspellen?
De sterrenkijker monsterde aandachtig de perkamenten, het een geheel verguld, en het ander verzilverd.

Tegen een achtergrond van kostelijk koloriet had een bedreven hand de Maagd van Gent verbeeld, met den leeuw in haren schoot, en de wapens der stad. Rondom de kenspreuk: “Beatus Populus cujus jova Deus est”.
De tweede teekening stelde het wapen voor van Hembyse met den krijgsroep van zijn edel geslacht “Silly, Silly”, en, onderaan, zijn leuze: “Sobrie et vigilanter”.
– Als ik me niet bedrieg, zei Portant, zijn dit ontwerpen voor het maken van nieuwe penningen.
– Gij bedriegt U niet! Eerlang wil ik nieuwe gouden en zilveren penningen doen slaan, wanneer ik als meester zal bevelen te Gent. Intusschen geen woord over dit alles, Portant! Zwijg als de sterren!
(…)


Een minuut later, gevolgd door een vertrouwden knecht, holde hij te paard door de Voldersstraat, terwijl Portant ginder hoog zijn baard in het raam liet wapperen, en met angstoogen uitkeek.
Door de Veldstraat trok juist de gruwelijke stoet van justitia voorbij.
Voorop een vendel Spaansche muskettiers, en dan de schokkende wagen waarop Willem Hembyse, onkennelijk van het bloed, aan de geeselkolom stond gebonden.
Daarachter op mooie, rijk gezadelde paarden reden de rechters, en, naast het wit harnas van den hoogbaljuw van Kortrijk, verwaaide de mantel van Hessels zwart als de nacht.
Een wolk van volk, met stomme smart op ’t gelaat en wrok in het hart, drumde met den naren optocht mee.

Juist aan de Voldersstraat hield de wagen stil.
De trommen zwegen, een enkele trompet schalde, en, de beulen met versche geeselroeden in de vuist, stonden paraat tot hun vierden aanval van bloedzuigers op het uitgeputte lichaam van den jonker.
Hembyse, rechtstaande in de stijgbeugels, met den krop in de keel, trachtte het gelaat van zijn jongen te verkennen.
Daar schuifelden de roeden door de lucht en ploften nijdig in ’t gemartelde vleesch.
(…)


Een gerucht in de straat doet hem naar het venster gaan. Kinderen, met gestolen altaarklokjes welke zij rusteloos doen klingelen en beieren, trekken dansend en huppelend voorbij, en zingen en tieren gedurig: “Ons Heere is gehangen op de Vrijdagmerkt!”
– Ik ga dadelijk naar Jan Hembyse, apotheker.
De kloeke gestalte van Vanderhaegen schijnt te beven van verontwaardiging of toorn, terwijl hij de kappe van zijn pij over het hoofd trekt.

De deemstering viel reeds toen hij zich op weg zette naar het “Hof ter Vere”, Hembyse’s woon in de Volderstraat. Daar liepen vóór de poort hellebaardiers heen en weer, gelijk de wachters van een burcht. Zij keken den monnik smalend aan toen hij onbevreesd naar den ijzeren deurklopper greep.
– Gij komt hier niet binnen, spioen, snauwde een hunner hem toe.
Vanderhaegen, die zijn kappe liet vallen, blikte den rekel eens doordringend aan, en zei koelbloedig:
– Ik moet dadelijk den voorschepen spreken. Dringende mededeelingen…
Reeds had hij den klopper doen hameren, de poort ging open, en Jonker Jan stond vóór hem. De groote voorhalle van zijn woon schitterde van licht; heerlijke wandtapijten hingen overal, met een speling van gouden, roode, azuren kleuren; de vloer lag ook bedekt met kostelijke tapijten waarop naakte engelen zweefden rond madonna’s met een vlammend aureool; daar geurden vele bloemen als voor een feest. En nog steeds brachten dienaars nieuwe bloemen en nieuw licht aan, terwijl heel de woon vol vreugdig geronk en rumoer hing.
(…)


– Wat staat ge zoo den grond te beloeren? Hebt ge hier soms wat verloren?
– Ik heb niets verloren, maar mijn klooster heeft veel verloren, heer voorschepen… Ik meen dit tapijt te herkennen. Het gelijkt wonderwel op een tapijt dat in de ontvangstzaal van ons klooster lag.
Jonker Jan stuift op.
– Wees voorzichtig, monnik. Gij staat hier niet op uwen kansel. Gij zijt een stouterik, ik weet het. Maar, beteugel uw tong!
Toch, alsof de kalmte van den predikant hem beïnvloedt, stapt hij naar de deur van zijn studeervertrek, werpt ze open, neemt er een vergulde kaarspan op de tafel, steekt de kaars aan een der vlammen van een koperen armblaker in de voorhal aan, en zegt rauw:
– Volg me, maar maak het kort.

Hij gaat zelf eerst het vertrek binnen, plaatst de kaarspan naast een meesterlijk geboetseerden marmeren engelenkop midden op de tafel, sluit de deur, en komt met gekruiste armen vóór den monnik staan.
Deze kijkt vluchtig rond en ontdekt, bij het gouden geschemer der kaars, allerhande prachtige gesneden koppen, in marmer of eik, van geroofde cherubijnen- en heiligenbeelden. Boven het hoofd van Hembyse, op een zijner boekenkasten, flonkert een Sint Joris van massief goud. De lans tusschen zijn handen werd stuk geslagen, maar hij rijst er nog heelemaal in de houding van een onversaagd krijger, en door het grillig spel der kaarsvlam begint hij te bewegen als ging hij zich op Hembyse zelf neerstorten.
(…)


– Er zullen nog bommen springen! Ryhove deed zich hoogbaljuw uitroepen. Eer er acht dagen voorbij zijn vagen wij hem en zijn aanhang uit het stadhuis weg. Ik heb reeds bevel gegeven zilveren en koperen munten te slaan met mijn wapenbeeld op. En vanaf morgen doe ik de bevolking met trommel en fijfel oprukken om het Spaansch kasteel tot den laatsten steen af te breken!
– Laat de poppen dansen, Jonker Jan! Gij zijt, van kop tot teen, den dictator die het volk kunt mennen. Maar hoor! Is dat de beiaard niet die speelt?
Stralen van triomf schieten uit de stalen kijkers van den ouden Hembyse.
– Het nieuws mijner overwinning is reeds rondgeloopen!
Hij wordt onderbroken door luide, vreugdige geruchten in de halle van zijn prachthuis, wijl daarbuiten ook een vroolijk, groeiend rumoer gelijk een windvlaag opsteekt. Zijn pralende vrouw, Johanna, omringd van andere uitgelaten vrouwen en mannen, komt toegeijld:
– Lieve man, heel de stad is reeds vol met de mare van uwen triomf! Een menigte stroomt naar hier toe. Kom, laat ons spoedig boven in de ramen staan en spreek het volk van op het balkon toe.

Het geluk bruist in haar als een vlam. Zij rukt Jonker Jan mede in den roes van haar forsche jeugd, en als zij, boven, een kijk in de Volderstraat werpen, druipen al de gevels er reeds van de vinnige klaarten der toortsen en pekpannen die gelijk trossen van vuur boven de zwarte koppen dansen.

Over de daken barst, als een wolk van muziek, de jubelende klankenstorm van den beiaard open, en naar het balkon, waar Hembyse naast zijn majestatisch schoone vrouw troont, stijgen liederen en kreten als een tempeest waarin al de driften van het volk joelen. Daartusschen schetteren de helle stemmen van knapen die in het ronde dansen, of lawaai blazen uit kleine pijpen van vernielde kerkorgels, wijl anderen met altaarbellen rinkelen. Een man te paard, in een priesterroket, dat een groote witte vlek midden den smook der toortsen doet drijven, stoot allerlei wanluidende uitroepen in het latijn uit die buien van brutaal plezier ontketenen.

Heelemaal vooraan, achter een rij trommelaars die verwoed met hun roffelstokken slaan, stappen eenige beeldstormers op die de afgehouwen houten koppen van heiligen op lange pieken dragen. Zij hebben deze koppen lijkgeel of helrood geverfd, en, bij het spookachtig geflakker der fakkels, zijn het als doodshoofden die, hoog boven de massa, naar het balkon van Hembyse toezweven.
(…)


Wanneer hij zich over de balustrade buigt, en met de hand groet, slaat een donder van gejuich naar hem op. Het hitst hem op, en jaagt een warmte door zijn bloed. Het toovert als een zachte dronkenschap in zijn hart en brein, en hij rijst er terug stoutmoedig, en uitdagend. Dictator. Op een teeken van zijn opgestoken duim valt alle rumoer stil. Alleen de beiaard die nu, in hooge, fijne tonen, een geuzenliedeken aanheft, rinkelt nog over de stede, als heel ver plots in den wijden nacht. Het fakkelvuur suist en sist, en met de opdwarrelende pekwalmen kronkelen de schaduwen gelijk spookgedaanten langs de huizen weg en weer.
Hembyse wil spreken, maar die halve kring van heiligenkoppen onder hem ontstelt hem andermaal en schijnt de vlucht van zijn woord te belemmeren. Het bloedend apostelhoofd kijkt hem aan.

– Die koppen weg! roept hij schor.
Een vaag rumoer loopt daar beneden weer rond, terwijl de pieken, met hun hachelijke trofees, op zij wijken. Dan, als opgezweept, neigt hij zich terug over de balustrade, en zijn stem, schielijk fel als een trompet, weerkaatst tegen de gevels:
– Geliefde Gentenaren, als de beiaard zingt, dan rijzen onze dooden uit het graf om met ons mee te juichen en Alva’s gedachtenis te vervloeken. Er is een tijd geweest dat heel Gent een groot slachthuis geleek. De beulen der Inquisitie waren behendiger dan onze chirurgijns om de lichamen hunner slachtoffers te vierendeelen. Tot die beenhouwers in menschenvleesch roepen wij: gerechtigheid is in aantocht! Ik zie hier onder mij een collectie koppen uit de huizen en tempels der papen. Gij hebt tot die maskerade van het oud regiem gezegd: kop af! Gij hebt wijs gehandeld, zoals ik verwachtte van wijze, vrije burgers die zich door pijnbanken noch kapblokken lieten verknechten. Maar ook tot de papen zelf, die met hun afgodsbeelden den volksgeest wilden verstompen, zullen wij roepen als het noodig is: kop af! Binnen enkele dagen noodig ik U uit tot een rondedans op de puinen van het Spaansch kasteel! En wee de schurftige schapen die onder ons rondsluipen, of den slechten herder die ons ten ondergang zou willen leiden. Steenigt ze! Ook tot hen, evenals tot de tirannen, zullen wij roepen: kop af!
Deze hartstochtelijke aanspraak, menigwerf als met een windstoot van gejuich doorbulderd, doet aan het einde een orkaan door de lucht daveren. De heiligenkoppen, onder Hembyse’s balkon, voeren een huiveringwekkenden doodendans uit, terwijl Johanna zich met pathetisch gebaar in zijn armen werpt, en hem zoent. Hoera-geroep loeit hen tegemoet, en zelfs de toortsen, wier pekstank in de lucht stijgt, schijnen door waanzin aangegrepen, en zwaaien hun rosse vlammen weg en weer over het huilend en dansend gepeupel.

 

 

Uit:
Jef Crick: Monica (1932-1933), geciteerde ed. (1944), p. 137-138, 196-197, 203-205


Vind dit boek in de bibliotheek Gent