terug naar index
In het Muidepoortje

Het was omtrent tien ure, wanneer de diligentie, die Petrus en Regina naar de stad bracht, de Brugsche poort binnenreed. Hier stapten de bruidegom en de bruid uit het rijtuig, om den naasten weg naar de oude Muidepoort in te slaan. Arm in arm wandelden zij onder de hooge boomen in de sombere schaduw naar hun woning toe. Petrus was gansch in gedachten verslonden; Regina stapte zwijgend aan zijn zijde, en dacht aan het laatste gesprek met den lieven grootvader.
(…)

Wanneer Regina door de sombere gang, die naar haar woning leidde, stapte, overviel haar een huivering; en onwillekeurig maakte zij een vergelijking tusschen de heldergroene, geurende dreef, die naar grootvaders hut leidde, en die akelige gang waarin de stiklucht haar bijna den adem afsneed. En toch stapte de teedere echtgenoote moedig voort: Petrus was bij haar! Petrus, die van de akeligste woning een hemel moest maken.
(…)

- Ha! dat is de jonge vrouw, zegde zij vriendelijk knikkend; zoudt gij u kunnen gewennen in de stad?
- Ja, zeer wel, antwoordde Regina.
- Wacht een beetje, Triene, zei moeder De Bie; ik zal de boodschap gereed maken.
En toen haalde zij geheel het trouwkostuum van Petrus te voorschijn en knoopte het in een stuk van een slaaplaken.
Regina kreeg den harteklop. Het deed haar pijn, dat men het schoon trouwgoed van Petrus verfrommelde.
- Het zal zijn frischheid kwijt zijn, dacht zij stil. Petrus las de gedachten zijner vrouw in de lichte rimpelen, die op haar marmeren voorhoofd verscheen. Hij lachte vriendelijk, en die lach wilde zeggen: “Laat haar maar begaan”.
- Hoeveel moet ik vragen? vroeg Triene.
- Twintig frank, antwoordde moeder De Bie
- O, zooveel krijgt gij in den grooten Berg niet, bemerkte de bergloopster.
- Wie spreekt er van den grooten Berg; van dit nest, waar men ons goed als vuiligheid beziet, bromde moeder De Bie… Bij Edward moet gij het dragen. Ik geef liever intrest, opdat ik mij kunne behelpen.
(…)

In het gezelschap der schoonmoeder waren de eerste dagen, die Regina in de stad verbleef, nog al vluchtig voortgevaren; maar, nu de oude vrouw weg was, scheen het huizeken met zijn zwart berookte en bestoven muren haar een doodenhuis.

Den eersten dag, toen Petrus naar de fabriek was, en zij haar morgenwerk had verricht, zette de jonge vrouw zich voor het venster te mijmeren. Zij keek door de doffe groenachtige ruiten in de hoogte, als zocht zij naar de zon; maar de schitterende luchtschoone hing nog langs den kant van het Oosten achter de hooge huizen; het venster van Regina zag langs den Westerkant op de zwarte gevels aan de overzijde van de poortkoer, en op de zwarte schoorsteenpijpen der geburen. Dus geen zon, schier geen licht, geen versche lucht, geen leven. Het woudmeisje dacht aan de ouderlijke hut, aan het groene mostapijt der dreef, aan de heldere beek, die achter het tuintje gestadig een eentonig, maar zoet liedeken zong, en aan de boomen, die boomen met hun breede, zoetgeurende bladerenkroon, waarbij zij de eerste maal haar hart van liefde had voelen trillen onder den teederen handdruk van haar Petrus.
(…)

Ja, zij vond het schoon en grootsch, zoo in den uitersten nood het laatste kleedingstuk te verpanden, vooraleer men de hulp van vreemden inroept; gelijk zij het afgrijselijk vond, het geld, dat men in den Berg van Barmhartigheid heeft geleend, in zorgeloosheid te verteren. Naarmate zij de ellende der steden leerde kennen, waardeerde zij ook die maatschappelijke inrichtingen, waar zij te voren nooit dan huiverend had aan gedacht. Reeds bewonderde zij den Berg van Barmhartigheid en het Gasthuis.
Petrus hernam zijn werk; maar Karel, och arme! was nog altoos in het gasthuis; hoewel er geen nood van sterven meer was, bleef hij lijdend en zwak; en reeds was het winter.
(…)

en bij Nelleken was de nood reeds ten hoogste geklommen. Sedert de ziekte van Karel had de winkelvrouw niets meer willen borgen. De vriendinnen bezien haar niet meer, en de ongelukkige heeft reeds alles wat verpandbaar was, ja, tot den laatsten bovenrok, laten wegdragen. Zij heeft de deuren der eetschapraai en het bedstroo opgebrand, en nu zit zij daar, dun gekleed, met de hand op de maag gedrukt, om de knaging van den honger te onderdrukken, bij de wieg te bibberen, bij de wieg van het bijna zieltogend kind. En het is zoo koud, de ruiten zijn dik bevrozen; weer ligt er een ijsberg op de poortkoer, en aan de dakpannen hangen zware franjen van winterkristal.
(…)

Regina ging voor de eerste maal van haar leven iets in den Berg zetten, en Regina was gelukkig. Bevond zij zich niet in een van die omstandigheden, waarin men zou leenen, niet tegen den intrest van vijftien ten honderd, maar zelfs van honderd ten honderd en meer? O, indien er ooit, hetgeen ik niet verhopen durf, een waarlijk groot man, een dergenen, die het welzijn des volks betrachten, een man van vooruitgang, dit nederig werkje doorbladert, dat hij ook een oogenblikje bij het lijden der arme moeder en der edelmoedigheid der schoonzuster stil sta, en zich zelve afvrage of er geen verbeteringen in de Bergen van Barmhartigheid kunnen ingevoerd worden; of er aan den arme, die zijn laatste kleedingstuk tot onderpand geeft, geen geld kan geleend worden tegen minderen intrest?

Uit:

Joanna Desideria Courtmans-Berchmans, Het geschenk van den jager (1864), geciteerde ed. 1933, p. 57-64 en 98-101



Vind dit boek in de bibliotheek Gent