terug naar index
In de Gentse riolen

De 14-jarige Spijker wordt door ‘professor’ Hans Swaert en dokwerker Fredje meegelokt om iets bij te verdienen. Tot Spijkers verbijstering gaat de tocht door de riolen …

Spijker had niet mee moeten gaan. Hij wist het al toen hij langs de ladder naar beneden klom, de riool in. Misschien waren het de roestige sporten van de ladder die zo koud aanvoelden. Misschien was het de klamme vochtigheid van de riool die door de naden van zijn kleren naar binnen drong. Of misschien was het gewoon de idee dat een jongen van veertien op een maanloze oktobernacht zowat alles mocht doen behalve afdalen in een rioolput met twee kerels die hij eigenlijk niet kon vertrouwen.

De mannen waren voorop gegaan en bereikten als eerste de smalle riooltunnel. Spijker zag de lichtbundels van hun zaklampen over de mossige wanden van de riooltunnel glijden. Eén van hen keerde zich om.
“Kom je nog, maatje?”
Spijker zei niets en liet zijn rechtervoet voorzichtig in het ondiepe water van de riool zakken. Hij voelde hoe het donkere water zich om de hiel van zijn laars sloot.
(…)
Op een avond, niet zo lang geleden waren Swaert en Fredje aan de praat geraakt en hadden ze tot een gat in de nacht geborreld. De volgende dagen gingen ze op klokslag elf samen op stap tot groot ongenoegen van Fredjes kaartvrienden. En gisteren waren ze naar Spijker toe gekomen. Of hij geen zin had om mee te gaan en een cent of twee te verdienen? Nee, zijn moeder moest hij er niets over vertellen. Wat niet weet, niet deert.

En zo kwam het dat ze daar liepen, zo’n tien meter onder het straatoppervlak. Hans Swaert had een kaart in zijn handen in een doorschijnende plastic hoes. Hij keek Fredje zwijgend aan.
“Ons maatje had een beetje drempelvrees, maar dat is nu wel over,” knipoogde Fredje.
“Gaat het een beetje, Jean-Pierre?” vroeg de professor bezorgd.
Spijker knikte onwennig. Hij heette inderdaad Jean-Pierre maar had een hekel aan die voornaam. In de verte, hoog boven hem, hoorde hij het gerommel van de laatste tram.

De professor plensde voorop met groene visserslaarzen die tot zijn middel kwamen. Fredje volgde hem met hoge kaplaarzen die uit een museum leken te komen en dan kwam Spijker. Ze liepen enkele minuten door de lange, stromende plas in het midden van de riool en gebukt onder het lage, gewelfde plafond. Zo kwamen ze tot bij een grote tunnel waar de riool wel drie meter breed en god-weet-hoe-diep was. Er lag een ijzeren, rechthoekig schuitje. Het ding zag er bruin en roestig uit in het licht van de zaklamp. Aan de twee uiteinden van het schuitje was een brede rand waar je op kon zitten. Het vaartuigje wiebelde wanneer Fredje en de professor erop gingen staan. De schuit dreef onmiddellijk weg en Spijker stond nog in de zijgang.
“Schiet op, maatje,” riep Fredje en strekte zijn hand uit. Spijker nam deze beet en Fredje trok hem op de boot. Zijn voet raakte het water en toen hij eenmaal op het vlot was verloor hij bijna zijn evenwicht zodat het hele geval vervaarlijk heen en weer wiebelde. Fredje trok Spijker overeind.
“Maatje, je gaat ons toch niet dwarszitten, hé,” siste hij in Spijkers oor.
“Nee, nee,” fluisterde Spijker snel.
Fredje liet Spijker los, nam de lange boom die in de schuit lag en duwde hem af op de bodem. Het water was zwart als kool en er net boven zweefde een sluier van mist. Spijker luisterde naar het geplons van de stok waarmee Fredje de schuit krachtig afduwde, het geritsel van het water tegen de voorkant van het vaartuig, het gepiep van een rat, of het geplons uit een zijkanaal. Maar bovenal was het er stil als in een graftombe.

Uit:
Jean-Claude Van Rijckeghem en Pat Van Beirs: Duivelsoog  (2002), p. 5 ; 8-10


Vind dit boek in de bibliotheek Gent