terug naar index
In de Academie

In de Architectuuracademie bewogen zich de meest vreemdsoortige wezens. Elk jaar bij het naderen van de tentoonstelling vatte Albert, de pet met de zilveren sterren in aanslag, post voor de gesculpteerde houten poort. Boven hem in rood en goud geschilderde letters het opschrift: "Treedt gij binnen, Heil en Vrede. Gaat ge verder, God ga mede". Zwaaiend met een knots van een wandelstok en getooid in namaak luipaardvel met op zijn hoofd een Davy Crockett-muts kwam de Moor - Albert zei "de Muer" - aanzetten. Van de Moor werd gezegd dat hij vroeger de beste schetser van de school was geweest en als leraar onberispelijk gekleed ging. De toewijzing van de kinderen aan zijn echtgenote was voor hem een slag die hij niet meer te boven was gekomen. Van dan af weigerde hij nog langer de pillen te slikken die hem in een fragiel evenwicht hielden. Op een dag had de Moor in alle hoeken van de Academie de mededeling aangebracht dat broeder Camillus zijn vrouw had gebruikt toen zij overspannen was. Vervolgens had hij zijn jeep genomen en had geprobeerd de poort aan diggelen te rijden. Waarop broeder Kamiel hem met enkele welgemikte muilperen het zwijgen had opgelegd. De Architect had een tengere gestalte. Hij droeg een fijn gouden brilletje waarvan de glazen licht groen waren gekleurd om zijn ogen te beschermen tegen het zonlicht. Boven een openstaand wit hemd verleende een lange regenjas hem een aristocratisch uiterlijk. Bij hervormingen aan de Architectuuracademie dreigde zijn atelier te worden opgeheven. De Architect hield jaren lang geheime bijeenkomsten met enkele verlichte studenten uit het derde jaar Architectuur. Daar werden zij gebriefd over slopende acties tegen de Architectuuracademie. De Architect voelde zich daarbij als de Italiaanse professor die in de jaren zeventig aan de Universiteit van Bologna een groep uitverkoren jongeren had opgezet tegen de staat. De wijziging van het programma zou worden aangegrepen om de Architect buiten spel te zetten. "Ik leg een bom onder Bruin zijn Maserati," schreeuwde de Architect. De Bruin was professor doctor en als dusdanig een van de verantwoordelijken voor de op handen zijnde hervormingen. De Architect typeerde zijn collega’s graag aan de hand van hun wagen. Het was ochtend. Zijn ogen puilden uit, hij rook merkbaar naar alcohol. Zo te zien kwam hij van een nachtelijke bijeenkomst. De maandag daarop schorsten de studenten van het derde jaar de lessen eigenmachtig op om het atelier van de Architect bij te wonen. In pamfletten eisten ze zijn behoud aan de Architectuuracademie. De Architect had in de loop van de jaren tijdens veelvuldige bezoeken aan Scandinavië en Oost-Europa duizenden dia's verzameld. Hij bezat een indrukwekkende bibliotheek met uiterst zeldzame werken over architectuur. De Architect vond dat hij principieel een deel van zijn wedde opnieuw in het onderwijs moest investeren. Hij had exact uitgerekend hoeveel interest hem in het andere geval de uitgegeven som maandelijks had opgeleverd. De Bruin, die alleen uit was op het versterken van zijn eigen macht, had smalend de vraag gesteld wat de Architect eigenlijk al had bewezen. In grote witte letters die het reliëf van de bakstenen muur van de Architectuuracademie hadden aangenomen, stond de zomer daarop te lezen: Architecture was. (…)

"Als wij trouwen, zul je mij nooit dronken zien." Mijn grootvader had het gezworen. Hij had zijn eigen vader al te vaak in beschonken toestand meegemaakt en wist wat de drank kon aanrichten. Mijn overgrootvader langs vaderszijde was pianobouwer en woonde in de Wellinkstraat, in een van de achttiende-eeuwse arbeidershuisjes, lieflijk met hun trapgeveltjes, maar verraderlijk klein en oorden van besmetting en drankzucht. In de negentiende eeuw had de geestelijkheid de tyfus en de cholera trachten te bezweren door kapelletjes te bouwen ter ere van O.L. Vrouw van Troost: "In het jaar 1385 is deze buurt verwoest geweest door de pest, niemand overblijvende dan een Spaanse vrouw door een bijzondere eerbied tot Maria" (1857). Tussen deze warrige straatjes, met namen die herinnerden aan de chaos en de miserie uit die tijd: Krommen Elleboog, Pekelharing, Twaalfkameren, was in de voorbije eeuw de Architectuuracademie opgericht. Neogotische verbouwing van een jezuïetenklooster, waarvan de oorspronkelijke bewoners bij het brutale einde van het Ancien Régime hun kloosterpand moesten ontvluchten, wierp de Architectuurcademie haar schaduw over de omringende straatjes. Als een octopus hadden generaties broeders-architecten hun architectuurdoctrine over deze stad uitgespreid. De neogotiek zou aan deze stad een waardigheid verlenen, slechts vergelijkbaar met die van de Eeuwige Stad, de verblijfplaats van de Heilige Stoel. Maar in de leslokalen met hun gewelven van de jezuïetenkerk en de gebrandschilderde ramen had ook René Heyvaert zijn tijd doorgebracht. Geïnspireerd door het strenge geloof van de broeders had hij broodjes in de vorm van een kruis gelegd en zichzelf in zijn pijnlijke ziekte geportretteerd als bezem, als een fetisj bewerkt met nagels [René Heyvaert, Untitled, 1988, MUKHA]. De Architect betreurde dat de laatste broeders de Architectuuracademie ondertussen hadden verlaten. De Architectuuracademie was in de handen terechtgekomen van enkele baronnen die zichzelf tot hoogleraar hadden benoemd. Dwalend door de gangen zag ik door het raam dat uitkeek over de beeldentuin en de fietsenbergplaats na al die jaren broeder Juliaan terug. Hij droeg nog steeds het donkere pak en de grote zwarte hoed met brede rand waardoor de studenten hem lachend "Zorro" hadden genoemd. Aan een onwillige student die zijn fiets tegen een rode bessenstruik had gegooid, was hij druk doende Goethes plantenleer te illustreren. (…)

Broeder Maximilianus woonde alleen in het klooster dat aan de Architectuuracademie was verbonden. Hij leidde mij door de ontvangstkamer en toonde mij zijn onschatbare verzameling kandelaren. Boven de schouw hing een kruisafneming van de hand van een leerling van de Italiaanse Meester Caravaggio. Broeder Max prees het schaduw- en lichteffect van het werk. Tegen de wand de portretten van alle broeders directeuren die de Architectuuracademie had gekend. De kamer bleek te zijn volgestouwd met wat de broeders de voorbije honderdvijftig jaar aan religieuze kunst hadden weten te verzamelen: een madonna toegeschreven aan Rogier Van der Weyden, een fragment van een Doorniks retabel, vroeggotische beeldjes uit elzehout en albast of een werk van zestiende-eeuwse negerkunst, geïnspireerd door Portugese missionarissen. De living was van de straatkant afgescheiden door gekleurde glasramen en keek met een groot venster uit op een binnenplaats, waar rondom een enorme ceder tussen oude grafstenen en weerhanen zoals je die op vroegere kerken aantrof, tachtig verschillende plantensoorten woekerden. Tegen de wand op een houten paneel een werk voorstellende "Het Laatste Avondmaal". De zon scheen laag door het grote raam en deed ontelbare stofdeeltjes glinsteren in het licht. Bij het verlaten van het klooster maakte broeder Maximilianus mij attent op een zeldzame piëta. Een twaalf jaar oude Perzische kat streek met haar witte vacht klagend langs mij heen.

Uit:

Johan de Vos: Bekentenissen van een architect (1994), p. 35-36, 60-62, 66-68



Vind dit boek in de bibliotheek Gent