terug naar index
IJver doet leeren, toneelmaatschappij
In de maand October van hetzelfde jaar [= 1834], vereenigden zich een twaalftal jongelingen van rond de twintig jaren oud, met een ander doel, namentlijk eene toneelmaatschappij te stichten. Wij hadden dit gedacht opgevat bij eene vertooning gegeven door de aloude “Fonteinisten” in de zaal “Parnassusberg” Houtlei. Daar was moeder geenszins te vrede over en trachtte mij daaraan te doen verzaken, omdat, eenige jaren vroeger, heur eigen broeder, Jan Thomazs, in het vervullen eener rol, in het stuk “Robert, kapitein der Struikroovers” eene oog uitgeschoten was!.
Het verhaal mijner moeder was, natuurlijk, niet zeer eenmoedigend voor mijne pas ontlokene goesting tot de tooneelkunst, doch geholpen door mijne vrienden liet moeder het jaar nog al licht gezeggen, omdat wij haar beloofden zeer voorzichtig te zijn en dergelijke gevaarlijke” stukken niet op te voeren. Eindelijk, zoo gezegd zoo gedaan, de nieuwe tooneelmaatschappij werd ingericht onder den titel “Ijver doet leeren”. Schermen, achterdoeken, gordijn, tooneel- en toebehoorten werden door de leden zelf gemaakt en geschilderd; en hoe kon het anders? de eene was timmerman, een andere schilder, behanger, enz. De stukken werden bezorgd, gekozen en ernstig bestudeerd; alle dagen repetitie of proefspel, van 7 tot 10 ure ’s avonds. De schouwburg was redelijk ver afgelegen, in de herberg “De drij Hoefijzers” dicht bij de brug van Mariakerke, bijna eene uur van de stad!.. De eerste vertooning bestond uit “De Kluizenaaar op Formantera” drama, en “De Schoenmakers of de laarzen van hooi” blijspel met zang, in het welk Jan Sielbo en ik, met veel aanleg en tot ieders goedkeuring, de twee hoofdrollen vervulden. Mijn bovengenoemde vriend speelde de rol van “Pieter Depekker” en ik verwierf niet minder bijval met dien van “Jan Grovendraad”. Het vlaamsch publiek weet wat ongemeenen bijval wij sedert dien en overal waar wij op de planken kwamen, hebben mogen inoogsten.
Het was bij deze eerstge vertooning dat ik de kennis heb gemaakt van H. Van Peene, die alsdan in ons orkest, als liefhe’bben de tweede viool speelde en die bestamd was om later de hervormer der vlaamsche toneelletterkunde in België te worden. Het nakomenlingschap is de plicht opgelegd den onsterfelijken schrijver, op eene der groote openbare plaatsen van Gent, in een standbeeld te doen leven.
Na onze tweede vertooning te Mariakerke, predikte de pastor der parochiale kerk tegen ons tooneelspelen en weldra werd onze schouwburg opgevouwen, en ... de artiesten ook
Uit:

Frans Edmond Lauwers: Mijn gedenkboek (1887), p. 47 - 49