terug naar index
Huwelijk moet Engelse wol garanderen voor lakengilden

Jonkvrouw Margareta van Male, dochter van Lodewijk, graaf van Vlaanderen (14de eeuw) vreest dat haar vaders keuze voor een huwelijkskandidaat door de lakengilden van Gent en Brugge is gedicteerd.

Het is dan dat mijn vader opstaat en aankondigt dat zijn dochter ‘huwbaar’ is. De ridders, de dames en de gasten duwen hun zitbanken achteruit, staan op en houden hun beker met wijn in de hoogte. Ik blijf zitten en ik voel het leven uit mijn lijf vloeien. Ik kijk naar mijn vader, bang voor wat hij gaat zeggen. Mijn vader kijkt naar mij en grijnst. Ik kijk opzij naar de gasten. Eén van hen, de Brugse hoofdman, Slicher van Rijpergherste, glimlacht breed. Hij is de meest vooraanstaande burger van Brugge en drijft ook een bordeel aan het Minnewater waar de schepen worden gekeerd en waar mijn vader een hoop schulden heeft. Naast hem zit de Gentse voorman Frans Ackerman die de lakens uitdeelt in de grootste stad van Vlaanderen. Normaal gesproken kunnen de twee voormannen mekaars bloed drinken. Hun steden zijn immers eeuwenoude rivalen. Maar vanavond zitten ze als oude vrienden naast elkaar. Mijn vader mag dan graaf zijn, zij zijn de feitelijke hoofdmannen van Vlaanderen. Alleen dankzij hen is hij in staat de vele schulden te vereffenen die hij bij de banken heeft voor zijn weelderige en mistroostige bestaan. En door hun aanwezigheid weet ik hoe mijn vader over mijn toekomst heeft beslist.

- “We drinken op de schoonheid van uw dochter, heer graaf,” fleemt Slicher van Rijpergherste, “jonkvrouw Marguerite wordt rijp en mooi als een boeket van zomerbloemen.”
Hij glimlacht. Ik knik alleen maar en laat mijn hooghartige blik op zijn zoon Roderik rusten die naast hem zit en uit wiens kaakbeen ik nog een tand heb geslagen. Ik ben inderdaad rijper geworden. Het kindervet is de afgelopen maanden uit mijn wangen verdwenen en mijn vormen zijn ronder geworden. Ik ben echter lang niet zo mooi als mijn moeder. Ik heb nog steeds grote voeten, lange vingers, knokige schouders, kleine borsten en de vossenkop van mijn vader. Constance heeft zich die herfst laten ontvallen dat ik steeds meer op mijn vader ga lijken. Ik heb haar toen uitgescholden voor Provençaalse berggeit. Het heeft weken geduurd voor we weer met elkaar spraken.

- “De hand van uw dochter is ongetwijfeld in trek bij de groten der Aarde,” suggereert Frans Ackerman terwijl hij zich een tweede beker wijn inschenkt.
- “De prinsen van Engeland en Frankrijk willen met haar trouwen,” knikt mijn vader, “om mijn titel te krijgen en te heersen over Vlaanderen na mijn dood.”
- “U twijfelt vandaag toch niet meer tussen uw trouw aan Frankrijk en uw plicht aan Engeland,” plaagt Frans Ackerman. Er trilt spot door zijn stem.

Het wordt even stil in de zaal. Ridder Craenhals staat op en kijkt verontwaardigd naar de Gentse voorman. De graaf geeft met een handbeweging aan Craenhals aan de provocatie te laten gaan. Ackerman heeft in ieder geval het lef om deze woorden te durven uitspreken in een zaal met ridders die hebben gevochten in de oorlog tegen Engeland.
Ik heb gehoord dat de koning van Frankrijk vanuit zijn gevangenis in Londen mijn vader per brief heeft gesmeekt om me uit te huwelijken aan zijn neef Filips van Rouvres. De koning van Engeland heeft zijn zoon Edmund van Langley naar voren geduwd. Zowel Filips als Edmund zijn verre neven van mij, tot in de vierde of de vijfde graad, iets wat nauwelijks toegelaten is door de paus. Indien ik huw met een Engelse prins, dan zal Vlaanderen na de dood van mijn vader Engels worden. Trouw ik met een Franse hertog, dan zal alles blijven zoals het is en dat is niet naar de zin van Slicher van Rijpergherste en Frans Ackerman. Ze zijn tot alles bereid om dat te verhinderen.

- “Ik heb over het huwelijk van mijn dochter nagedacht,” zegt de graaf en hij pulkt aan zijn driehoekige baard. “Meer nog, ik heb zelfs een besluit genomen.”
Iedereen kijkt mijn vader aan. Iedereen houdt zijn adem in. Maar ik weet wat hij zal zeggen.
- “Ze gaat trouwen met Edmund van Langley, hertog van Cambridge, prins van Engeland en jongste zoon van koning Edward de Derde. Het huwelijk zal deze zomer voltrokken worden.”
In de zaal is het ineens stil als in een tombe. Alleen de toortsen sissen.

Uit:
Jean-Claude van Rijckeghem en Pat van Beirs: Jonkvrouw (2005), p. 143-145



Vind dit boek in de bibliotheek Gent