terug naar index
Het noodlot treft Geeraard de Duivel

Als tijdens kerstnacht 1254 het kind van Geeraard de Duivel en zijn vrouw Alwina Borluut zal geboren worden, dwingen complicaties bij de bevalling hen per bootje naar de Sint-Baafsabdij om hulp te gaan.

Op kerstnacht van het jaar des heren 1254 lagen de straten van Gent er zo spekglad bij dat je er nauwelijks kon gaan en ook paarden hun benen braken op de kinderkopjes waarmee sommige straten geplaveid lagen. De kleine aarden steegjes waren door de aanhoudende regen van de dagen ervoor veranderd in grote zompige modderpoelen waarin karren zich onherroepelijk vastreden. Alle verkeer over land was onmogelijk geworden. En net die onfortuinlijke nacht kreeg Alwina barensweeën. Gerard, die als soldaat op kruistocht tegen de Katharen in Zuid-Frankrijk en de Saracenen in Palestina had gezien wat leed was, begreep al snel dat het misliep met de bevalling. De baker van dienst, een volksvrouw die Gitte heette, deed met haar Slavische dienstmeiden wat ze kon, maar de blik die ze Gerard toewierp, was veel betekenend. “Het kind ligt verkeerd, meester, in stuit, en dat op de slechtste manier. Het had al moeten gedraaid zijn.” Alwina, hijgend en in hoogste barensnood, smeekte haar gemaal om hulp.De burggraaf wist dat alleen Waltrudis, abdis van de St.Baafsabdij en onderlegde heelmeesteres, hulp kon bieden. Samen met kamerheer Borch van Vroudenrijc en een paar wapenknechten laadde hij de kermende Alwina in een sloep aan de voet van het Duivelsteen. De nacht was wurgend koud maar de ijslaag op de Reep liet zich breken. Eigenhandig stak Gerard van wal met de boom van zijn schuit. Hij wrikte door de Gentse wateren die gehuld waren in een dichte, kleverige mist. De andere mannen duwden ook met lange stokken. Hun hijgende adem gaf wolken damp af. Met stevige halen bereikten ze het midden van de Reep en voeren krakend doorheen het met ijs bedekte water naar de Schelde toe.
De burggraaf hoopte vlug tot aan het Sint-Baafsdorp te geraken aan de overkant van de Schelde, veel sneller in ieder geval dan door de straten en steegjes van de stad. De schuit moest enkel voorbij de Nieuwbrug geraken die de toegang over de Schelde bewaakte op een paar boogscheuten van het Duivelsteen. De maan wierp een karig en spookachtig licht doorheen de mistbanken die voortdreven boven het kille water. Boven de schuit torende plots de enorme schaduw uit van de Rode Toren, de stadspoort die zowel de weg naar Antwerpen als het verkeer op de Schelde beveiligde. Gerard wilde de waterwacht al toeroepen toen hij een donderend geraas hoorde en luid geplons. De enorme ketting die doorgaans de waterweg afsloot bij nacht werd neergelaten. Het geratel was oorverdovend. Dan doemde uit het donker de ontzaglijke omvang van een trekschuit op waarmee grote vrachten werden vervoerd. Aan de wal weerklonken zweepslagen van menners die de paarden aanspoorden om de schuit nog harder langs het jaagpad voort te trekken. Gerard schreeuwde vergeefs en trachtte verwoed uit het vaarwater van het vrachtschip weg te raken. De tolwetten van de waterschout verboden nochtans alle waterverkeer bij nacht. De burggraaf slaagde er met zijn mannen in op het nippertje weg te komen uit de baan van het binnenschip. Gerard verwenste de bootmensen hartsgrondig maar toen stolde het bloed in zijn aderen. Voor hem doemde een tweede vaartuig op. De Duivel zag de schepraderen en roeiriemen van een kogge op hem afkomen als de giftige wieken van een draak. En dit keer was er geen ontkomen aan. Nog voor Alwina een schreeuw van afschuw kon uiten, overvoer de zelfstuwende boot de kwetsbare sloep. Borch van Vroudenrijc werd samen met een wapenknecht vermorzeld door de boeg van het gevaarte. Gerard en Alwina tuimelden het schrikbarende water in, samen met de overblijvende knecht. Hun tunieken en gewaden zogen water op als sponzen en trokken hen naar beneden. Als stenen zonken ze naar de diepte. De schok van het ijskoude water zette bij Alwina het uitstoten van het kind in gang en daar, omsloten door de inktzwarte Schelde, gaf Alwina al verdrinkend de vrucht van haar buik vrij aan het water. De kou had de boorling meteen in zijn greep, want ook al voelt een kersvers kind zich in vloeistof in zijn element en zwemt het instinctief, zijn eerste vrije levensmoment was kortstondig.

Gedreven door een bovennatuurlijke kracht sloeg Gerard zo hard om zich heen dat hij met een schreeuw weer bovenkwam. Dan dook hij op goed geluk af zijn vrouw achterna. Even werd hij gehinderd door het dode lichaam van zijn wapenknecht. Hij tastte om te voelen wie het was en stootte hem dan weg. Even kwam hij boven om adem te happen, dook weer op zoek naar Alwina. In een woeste stoot van waanzinnige energie haalde hij haar op en trok haar naar de steile oever. In haar armen had ze het reeds verstilde kind. De burggraaf schreeuwde in diepe wanhoop, maar niemand kon bij hen geraken en daar, in de kerstnacht van 1254, zijn vingers rauw en bebloed tegen de stenen van de wal en rochelend als een stervend dier, voelde Gerard het leven wegvloeien uit zijn vrouw terwijl alle klokken van de stad Kerstmis luidden. Alwina, wit van ontbering, opende nog eenmaal haar ogen en streelde in een laatste, tedere beweging het versteende aangezicht van de Duivel. Over het water weerklonk honderdmaal de echo van de oerschreeuw uit de gebroken ziel van Gerard. Later bleek hoe de schout en de wethouders Gerard hadden voorgelogen en dat de arbeiders in de haven, de mensen van zijn geliefde Gent, voor eigen gewin ook ‘s nachts schepen met smokkelwaar doorlieten. Het volk van Gent dat hij had omhelsd als het zijne, had hem verraden. En zijn vrouw en enige zoon, zijn erfgenaam, waren door de Gentse wateren aan hem ontnomen. Uit angst voor zijn wraak wisten de schuldigen, de abt Baudemundus te overtuigen om Gerard, de halve Moslim, te beschuldigen van hekserij.

Uit:

Jean-Claude Van Rijckeghem en Pat Van Beirs, Duivelsoog (2002), p. 50-55



Vind dit boek in de bibliotheek Gent