terug naar index
Het eiland Muide en de voorhaven

Na het roven van de diamant uit de graftombe van Geeraard de Duivel, vlucht de 14-jarige Spijker samen met ‘de professor’ door de Muide.

Spijker keek naar het bruine, metalen riooldeksel te midden van de kasseien. Om zich heen strekte de voorhaven van Gent zich uit. De enorme verlaten loodsen die al jaren niet meer werden gebruikt. De halfingestorte huizen aan de waterkant die je voor een prikje kon huren. De brede kasseiweg die naar de brug leidde. En daar, in de derde straat rechts, het café van zijn moeder. Daar stond zijn bed. Zijn donzige, warme, veilige bed dat geurde naar lavendel en wasverzachter. Er was geen plek op aarde die hem op dat ogenblik dierbaarder leek dan zijn eigen bed.
(…)
En zo liepen ze onder het spaarzame licht van de stadslampen door de verlaten havenbuurt naar de brug over het kanaal. Spijker had de deken uit de auto rond zich geslagen en klappertandde nog steeds. Hij stapte voorzichtig met zijn sokken over de straatstenen. Hij volgde de professor langs de kleine visserskerk van de Muide naar de brug en zag toen, op de weg naar de brug, een hele kolonne stilstaande vrachtwagens. De motors draaiden. De chauffeurs waren uitgestapt en keken naar de groene, gietijzeren brug die omhoog stond.
(…)
Spijker zette een stap naar voor en keek naar het water. Hij voelde de pijn in zijn hals weer opflakkeren. De vijf striemen gloeiden. Pas nu drong het tot Spijker door dat de plek waar ze zich bevonden, de Muide, de havenbuurt van Gent, in feite een eiland was, omgeven door het donkere water van de Schelde. Er dreef een dunne laag mist op het water. En in dat donkere water lag een duivel op de loer.
Uit:
Jean-Claude Van Rijckeghem en Pat Van Beirs: Duivelsoog  (2002), p. 45-48-49


Vind dit boek in de bibliotheek Gent