terug naar index
Heldenhulde

Moegestreden zet een Gentse soldaat, na de Wapenstilstand van 1918, vanuit Frankrijk de terugkeer naar zijn geboortestad in. Vol ongeduld kijkt hij uit naar het weerzien met zijn verloofde Roza, zijn familie en zijn stad.

In mijn ongeduld kon ik niet spoedig genoeg te Gent aankomen.’s Anderendaags liet ik de stad [= Parijs], die weer in luidruchtigheid begon los te branden, zonder spijt achter.
De trein treuzelde voor mijn gevlerkte verlangens geweldig ergerend. Het kalme, grijze landschap dat zich eentonig door het raampje aan mijn oogen ontrolde, was niet bij machte om mijn onstuimige gevoelens te dempen.

Na vier jaar zou ik mijn geliefden terugzien.
Reeds zoolang had ik er geen nieuws meer van gekregen. Wat was er niet al gebeurd?
Het scheen mij in mijn intens geprikkelde verbeelding toe, dat de lucht, die ik inademde, in ’t vooruitkomen naar mijn vaderland begon te rieken.
Wat voor onzinnige dingen had ik al niet willen doen! Eerst ’s namiddags kwam ik in Adinkerke toe. Wat aangename gewaarwordingen bestormden mij toen ik tusschen de krioelende menigte weer sedert langen tijd mijn voeten op Belgischen grond zette. Welke schoone les van vaderlandsliefde ontspon zich hier in mijn gemoed!
Wat is het Vaderland? Wat is vaderlandsliefde?

Dezen, die na vier jarenlange afwezigheid, voor ’t eerst den Belgischen bodem betraden zullen ’t diep gevoeld hebben... Ik had het éénig geluk een vriend te ontmoeten, die met een auto gereed stond naar Gent te rijden. De koning zou binnen een paar uren zijn intrede in de Arteveldestad doen. Ik omhelsde mijn vriend, beloofde hem duizend heerlijke dingen en zat nog vurig te danken als de motor reeds genoeglijk bromde en de kalseiden een averechtschen stormloop onder de razende wielen hielden.
De stukgeschoten huizen, de gespleten kerktorens, de vernielde bruggen waren beelden die voor een oogenblik mijn enthusiasme louterden.

Maar weldra zagen wij de silhouetten der Gentsche torens, gaaf en even statig als altijd hun spitsen naar den hemel steken. De ontroering, die zich bij dat zicht van mij meester maakte is niet te beschrijven. Ik wou, onder dezen indruk, een oogenblik verwijlen om deze zalige genoegens te verteren, maar een heftiger gevoel deed er mij genoegen in smaken de auto voort te hooren snorren.
De weg werd moeilijker; maar, na wonderen van behendigheid, door mijn vriend afgelegd, konden wij in onze geboortestad aanlanden.
Hoeveel tijd heb ik er over gedaan om den weg naar mijn huis af te leggen? Ik zal het bezwaarlijk ooit kunnen zeggen. Maar ik weet zeker dat ik in ’t geen omstandigheid ooit vlugger zal overdoen. Ik had nochtans gelegenheid om onder dezen snellen rush alles veranderd en verkleind te vinden. De openbare gebouwen waren door groote zwarte letters ontsierd en ’t deed mij aan of ik elk oogenblik een troep gehelmde Duitschers van onder een der poorten zou zien stappen.
Het zicht mijner vaderlijke woning deed al deze beelden verzwinden. Mijn hart stond een oogenblik stil
(...)

...Later stelde mijn zuster voor eens in de stad te gaan zien, waar het volk, dat zoo even zijn koning had ontvangen en hem al zijn liefde en vereering in gloeiende geestdrift had bewezen, nog vreugdedronken in de straten jubelde.
De joelende bedrijvigheid, die opborrelde naarmate men in ’t midden der stad kwam, was er een van zulkdanigen aard, dat ze ieder omstander overmeesterde en een geestdrift in de aderen goot, die zich in stormachtige buitensporigheden uitte. Jonge menschen stormden de straten in en uit, dreven de meer bezadigden op de voetpaden en schepten de wegen in woelende stroomen om, die alles in hun kolk meevoerden. De soldaten werden vastgegrepen, gekust en meegesleurd.
Sommigen gaven zich gewillig aan deze inbezitneming over en deden luidruchtig mede: maar anderen, die met hun familieleden ook eens waren komen zien, hadden de meeste moeite om zich los te rukken aan deze uitbundige vereering. Ik onderging nagenoeg hetzelfde lot, werd een heele straat met een dansenden troep meegevoerd, maar kon mij zonder veel hinder uit dien pas redden, daar Roza en mijn zuster blij hadden meegesprongen.

Aan een omdraai kwam een regiment Fransche infanterie afgestapt met de “clique” [troep klartoenen en tanboers] vooraan.
De trompetten buitelden in een schittering om-en-dom, en schetterdend klonken de tonen over ’t gebruis heen.
Of daar een aanslag op de waardigheid van een opstappend regiment werd gepleegd, zou bezwaarlijk uit te maken zijn geweest; maar de Duitschers zullen deze blauwjassen nooit zóo overrompeld hebben als dit nu het geval was. De rijen werden verdubbeld, elk poilu [= bijnaam van de Franse soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog] had een meisje aan zijn arm, en zingend en joelend trok de troep door de verdikkende massa.
Van zoo’n geestdrift voelde men zich dronken worden.
Men voelde een verlangen in zich opkomen om dolzinnige dingen te doen! In het Cirkus, waar we om zoo te zeggen onwillens ingedragen werden, steeg de geestdrift tot waanzin.
Ik werd er van hand tot hand overgeleverd en voelde zooveel warme lippen op mijn gezicht drukken en zooveel kittelende haarlokken over mijn wangen koozen, dat ik er duizelig van werd.

Toen ik Roza kon bereiken vond ik ze schaterend lachen, terwijl ze plagend dreigde met haar opgestoken vinger.
Ik was voldaan! Ik verlangde nu nog slechts naar wat hartstochtelijkheid van mijn Roza.
Maar deze dag had in mij de gedachte vastgeankerd dat Oscar [= zijn vriend] gelijk had. Zulk een dankbare hulde, door een gansche bevolking uitgebracht, was het schoonste symbool van de groote vereering, die ze voor hun helden gevoelde.
We zouden niet vergeten worden in de toekomst.
Onze vrienden zouden ons altijd als hun redders geheugen.
Deze overtuiging maakte mij gelukkig. Ik zag het leven roze in!

 

 

Uit:

Ernst van Daele: Ernst en humor (1937), p. 40-44



Vind dit boek in de bibliotheek Gent