terug naar index
Gravensteen

Gravensteen

Wanneer de misten van de zee uit ’t Noorden,
gelijk de branding zieden om den burcht,
ontstijgen uit de kelders schampre woorden,
van wie daarin koelbloedig werd gewurgd.

En als bij wintermaand ’t begint te sneeuwen,
de kimmen dichter worden toegeleid,
slaat, kervend door de lucht, ’t gekerm der meeuwen,
verloren kreten van rampzaligheid.

Zoo stoot het Steen der Graven langs de Lieve,
symbool van leed en nooit verstorven klacht,
vooraan op ’t plein, als oud-vergeelde brieven,
Een huizenrei van donkre weelde en pracht.

--------------------------------------------------------------------------------

Gravensteen

Gehavend, boven uitgedroogde wallen,
met gras bedekt gelijk een groen tapijt,
laat ’s Gravensteen zijn schaduw nedervallen,
gelijk een kleed dat van de schouders glijdt.

Als boven hem de luchten grauw vervalen
en van hun sterren gansch zijn uitgedorscht,
dan ruikt men hoe daarbinnen geesten dwalen
met stank van roet en solfer op hun borst;

Dan komen z’op den rondgang roekloos schrijden,
als wachten door ’t verleden uitgerust;
terwijl de wolken door elkander snijden,
als onweersgolven steigrend op de kust;

Soms blaast de wind zijn haat met volle keele,
en rijst uit ’t slot een somber wanhoopslied;
of nijdig vaart zijn adem langs kanteelen,
gelijk een beest dat van zijn sprong geniet.

--------------------------------------------------------------------------------

© Familie Herckenrath, 2006

Uit:

Adolf Herckenrath: Gentsche kanteelen en relikwieën (1947), z.p.