terug naar index
Good old Daisne

Ik studeerde in Gent en betrok er de kamer in de Baudelostraat, recht tegenover het parkje. Op amper vijf minuten lopen bevond zich, naast het Atheneum, de toenmalige Openbare Gentse Stadsbibliotheek waar Johan Daisne de fluwelen scepter zwaaide. Heb ik Daisne daar ooit gezien, ontmoet, gesproken? Het eerste af en toe, en het tweede slechts één keer: toen ik aan de balie op Gogols Avonden op een dorp bij Dikanka stond te wachten, want zelf de boeken uit de rekken halen mocht niet. Verlangde men een of ander werk, dan diende men een "verlanglijstje voor lectuur" in te vullen, met opgave van het "standnummer", welk nummer men in de ter inzage liggende catalogi kon vinden. Later kon men de catalogi ook kopen. In mijn bezit is daarom nog steeds de Catalogus van Letterkundige werken, Supplement tot 1971. Vooraan, als motto, prijkt een titelloos gedicht:

Dit is het boek der boeken
U vindt er alles in;
moord schuilend om de hoeken,
het avontuur der min,

het lachen en het peinzen
dat ons tot mensen maakt,
en al wat mensen veinzen,
en al wat men uitbraakt.

Doe er uw voordeel mee.
Want al dit wel, dit wee,
het is van alle tijden.

Leer er, verguld op snee,
de ernst uit van het blijde,
en spelen met uw lijden
.

Staat getekend: J.D. Good old Daisne: "Ja mijn jongen, Gogol is een grote schrijver." En hij schuifelde weg, richting zijn kantoor waarover Jeroen Brouwers (Kladboek 1) reeds geschreven heeft. Het klopt dat hij, Daisne, als hoofdbibliothecaris niet zonder meer vieze boeken wenste uit te lenen. Nog maar ’s terug naar de Catalogus, Supplement tot 1971. Dat de zedelijke waarde der werken opzettelijk niet in de catalogus werd aangeduid om geen ongezonde belangstelling te wekken. Elk boek, zo lees ik, draagt echter een teken dat aangeeft op vertoon van welke kleur lezerskaart het kan worden uitgeleend. (…)

"Erge" gevallen vergen dan weer een bijzondere procedure, overeengekomen met het Parket (!). Dan is een schriftelijke en gemotiveerde aanvrage tot de hoofdbibliothecaris vereist, die daarop per brief zal antwoorden; tegen afgifte van die brief kan de uitlening geschieden. Maar ook over de lichamelijke gezondheid der lezers werd er blijkbaar gewaakt: wie in de loop van de uitlening een aanstekelijke ziekte had gehad, werd verzocht om zulks mee te delen teneinde het letterkundige werk te kunnen ontsmetten. (Mijn moeder die mij als kind aanvankelijk verbood om naar de plaatselijke dorpsbibiliotheek te gaan omdat boeken de ideale broeinesten van de teringkiemen waren, en hoe ik na het lezen altijd zorgvuldig mijn handen moest wassen: een ritueel dat ik, meer dan dertig jaar later, nog steeds in ere houd. Maar terug naar Daisne zijn boekentempel.) Uiteraard was het in de lokalen der Bibliotheek verboden te roken, en honden moesten buiten blijven. Er was bovendien de bede om beschaafd en zacht te spreken. We schrijven negentienhonderdtweeënzeventig, en ik was zo verlegen dat ik slechts fluisterend om een "verlanglijstje voor lectuur" dorst te vragen, waarop de balieman mij regelmatig afblafte met een luid "Pardon, monsieur?" Want net als de grote baas spraken zijn acolieten gaarne Frans.

Uit:
Eriek Verpale: Olivetti 82 (1993), p. 28-30


Vind dit boek in de bibliotheek Gent