terug naar index
Gestolde wolken

De dag waarop ik in de bibliotheek kwam heerste er enige verwarring. Een klas scholieren was bezig in het kaartsysteem allerlei literaire coryfeeën van de provinciestad, waar ik toen verbleef, op te zoeken. Ze legden een overzicht aan van hun verbindingen, onder het argwanend oog van een slordig geklede man die hun leraar bleek te zijn, iemand die met hoorbare hoofdletters over Letteren en Schrijfstijl sprak.
Op een gegeven ogenblik schuifelde een van de jongens opvallend onopvallend naar de uitgang. Zijn bloesje zag er een beetje vierkant uit. De leraar kreeg het in de gaten, de jongen rende naar buiten. Het boek viel vanonder zijn bloesje op de drempel. De leraar sprong over het boek heen en zette de achtervolging in. Ik raapte het gestolen en verloren voorwerp op. Het was een herdruk van een inventaris van 473 soorten vissen, een ‘naeukeurighe beschryvingh van de natuur’ uitgegeven ‘t’Amsterdam by I.I. Schipper op de Keysersgracht’, in 1660.
Ik besloot het boek te lenen. Omdat er niemand van het personeel te bekennen was, ook na lang wachten niet, nam ik het zo mee. Thuis verdiepte ik me in de Ayer Meereber, de Monoceros Meer Einhorn, de Imca Marina, de Meer Schleye, de Farra Albulae Lacustris, maar ook in de sterk fantasmagorieën zoals de Porcus Supinus Salviani, een soort walvis met buldogtronie, de Reversus Indicus Anguilli formis, een zeeslang met een spuitende fontein op haar kop, neerdalend op een soort eraan vastzittende otter; de Indicus Squamosus, een visachtig stekelvarken met een vogelbek; de lachwekkende Anthropomorphos, eeen soort zeemeerman met flaporen, de Balaena Monstrosa met hondetanden in zijn bek en iets al een soepele hoorn op zijn buik; de Utilis Piscis Serram as instar Piscis habens met een tweekantige zaag op zijn voorhoofd, klauwachtige vinnen en een vlossige staart; en tenslotte ook de raadselachtige Delphinus, omgeven door twee cirkelvormige figuren die een uitvergroot eitje leken te suggereren. Bij beide stond Ultima Thule geschreven. (...)

Na een paar dagen was ik uitgekeken op de eindeloze rij aberraties, die de eerste encyclopedische impulsen in de zeventiende eeuw nog toestonden, toen dergelijke waanvoorstellingen werden gesystematiseerd. De geschiedenis van de fatasmagorie is mijn zaak niet, dacht ik, terwijl ik trachtte de gloeiende plek te sussen die meer dan ooit tevoren onder mijn trappende voeten brandde.
Ik bracht het boek onder mijn jas weer binnen, legde het op een van de tafels waaraan kranten gelezen worden, en verdween. In die kranten stond het nog niet want het gebeurde pas ’s avonds, maar het was de dag waarop een groot filosoof stierf, wiens naam ik uit devotie hier liever verzwijg.

Omdat alles door het lunatische absurdisme van eb en vloed gemagnetiseerd wordt, besefte ik dat het onontkomelijk was dat dit boek weer zou aanspoelen uit de branding van het bibliotheekwezen, waarin ik het had teruggegooid. Elke bibliotheek schuimt af en aan, brengt residuen en afstervende elementen mee, gooit ze voor onze voeten, en we kunnen er niets mee beginnen. Want voor alles wat waarde heeft in een bibliotheek moet men ver in zee gaan en dan onderduiken tussen de rekken, heel diep, tot waar bladen met onleesbaar schrift staan te wiegelen in schemerige leeszalen vol zout water, vastgepind tussen het rood koraal van hun naam en hun jaartal.
Maar het spoelde niet aan. Het verdween gewoon. Of de jongen zo vasthoudend is geweest het weer te komen stelen, of dat iemand aan de krantentafel het heeft meegenomen, of dat het verkeerd werd teruggezet in de eindeloze rekken – wat op hetzelfde neerkomt als verloren gaan – ik vond het boek niet meer terug, toen ik bij een volgend bezoek achteloos keek of het weer op zijn plaats stond. Ik kon het natuurlijk opvragen, om te zien of het uitgeleend was. Maar als het gestolen was, dan luidde ik daarmee alleen maar de alarmklok over iets dat nog jaren onopgemerkt kon blijven. Ook na de gebruikelijke uitleentijd van circa drie weken kwam het boek niet terug. En bij elk bezoek zag ik de smalle, rechte holte, de ascetische toegang tot het achter de boeken liggende niets, het straatje naar nergens, waar het had gestaan.
Op een keer stak ik mijn hand in de open, donkere gleuf om te voelen of het boek daarachter lag, misschien was het gevallen. Maar er was niets, en omdat ik verstrooid was en verliefd, dacht ik aan blauwe glycine en liep zonder boek naar buiten om op een bank te zitten slapen in de zon. (...)

Ik las een hele zomer op de veranda, vervuld van meeuwenkreten, ver geplas van blauw water, poliepen en jodium, de euforie van zwemmers en verdronkenen.
Soms wiegde het huis, en aan de zuidermuren zogen zich wieren vast, waarvan de bovenste verdroogden in de zon.
Dat betekende dat het huis soms hoger lag, soms lichter was.
Dan dreef het sneller, en de wind duwde het, zon in de rug, naar de rand van een vlak, met toewijding en geduld.
Het drijven, dat rond de eerste juli was begonnen, liet mij alle tijd om over de reling van de veranda naar de ruggen van voorbijschietende vissen te kijken. De glycine, verzadigd van zout water en wind, droeg zeedruiven en zwol tot boven het dak.
In de drijvende tuin, een laagje golvende aarde op kabbelend water, verschenen plassen. Rode, transparante plassen als vissebloed.
De duif genas. Roekoede ’s ochtends op een ondergescheten plekje in de zon. Ik voerde haar brood en water, de ascetische methode.
Op een dag fladderde ze. Ik droomde dat ze copuleerde en zich verhief.
Op een ochtend vloog ze weg, de trillende naald van het kompas achterna, blind en in fascinatie voor het aardmagnetisme meegezogen naar een punt dat ze niet kon bereiken.
De eerste ijsschotsen heb ik op een ochtend gezien.
Gestolde wolken, hoekige droom van koelte, scherp en eenzaam in een wereld zonder oren. Hoog, blauwig en met zuigende smeltgeluiden bonsden ze tegen de achtertuin, wierpen licht op boeken en handen, een herinnering aan besneeuwde ochtenden. Ze namen de horizon tijdelijk weg. Soms was er laat in de namiddag plotseling weer verte, blauwe einder, met opspringende dolfijnen als splinters op het watervlak. Splinters uit een onnoembare kelder omhooggeduwd.
De koelte onder de voeten maakte de wereld draaglijk.
De kou nam voortdurend toe. De glycine bloeide desondanks rijkelijk. Een blauw bloeiende, zwoele plant tussen plassen vissebloed als een droom tegen witte ijsmuren, waaierde mij in slaap.
Van het beeld van de ontelbare glycines die het woord blauweregen dekt, is deze oude boom de drager geworden.
Het toeval is tegen de UT, tegen de doelgedachte. Het maakt het oneindige tot maar en verlengt ons in de verwarrende reflecties van ons eigen spiegelbeeld, zodat de bloedvlek en bloesem in elkaar opgaan, de verwarrende duur van een zomernamiddag, in het geheugen van de slaper tijdens de lichte siësta.
Een beeld dat in de navel van de wereld glijdt als in een bloedlichaampje, naar de opheffing van zijn bestaan.
Dan ligt men op de bodem van het eigen lichaam als op de bodem van een diepe put.
Het is onmogelijk nog in mezelf naar boven te zwemmen.
Daartoe ontbreekt me de adem.
Witte adem, zuiltje van menselijke aanwezigheid in arctische kou.
Ik ben onderweg. Ik adem door mijn handen.
Het is drie uur in de namiddag, misschien in de nacht.
Het uur van de symmetrie – een zout, oneindig woord, de betovering van het ultieme.
De telefoon rinkelt.
Ik neem op en herken meteen de dreinende neusstem.
God vraagt: ‘Kan ik - - - spreken?’
‘U bent verkeerd verbonden, meneer,’zeg ik.
‘Neem me niet kwalijk,’ zegt God. Legt de hoorn neer.
Het wordt koel en stil in huis.
Een sopraan klimt uit de radio, hoog en ijl.
Alles glinstert, glanst en wordt schitterend door de flonkering van die stem, tuimelend boven weerspiegelende lichtvlekken op de muur.
In de verte zijn massa’s kruiend ijs de klim naar het dak van de wereld begonnen. Walvisfonteinen spuiten onverbruikte adem over de tuinen van ijsbloemen, rijmbloesem en blauwe, broze pegels.
De ijsbeer schurkt zich tegen Orion.
De vislucht stijgt tot in de ruimte.

--------------------------------------------------------------------------------

© Stefan Hertmans, 2005

Uit:
Stefan Hertmans: Gestolde wolken (1987), p. 61-63 en 70-72


Vind dit boek in de bibliotheek Gent