terug naar index
Gent geteisterd door de pest

Jonkvrouw Margaretha van Male, dochter van Lodewijk, graaf van Vlaanderen (14de eeuw) ziet hoe de pest ook in Gent toeslaat (omstreeks 1360).

Heer, gedenk ons hart onder de hemel van Vlaanderen. De pestilentie is heviger dan ooit. Het Gent dat twee dagen geleden nog feestvierde, dat Gent lijkt in elkaar te klappen. Kapelaan Johannes van Izeghem heeft dan toch gelijk gehad. Het einde van de wereld is aangebroken. Het gruwelijke, profetische boek van de Apocalyps wordt geopend. De vier ruiters van de doem komen afrekenen met de mens. De ruiter op het witte paard is Gods straf voor de menselijke zonden. Op het rode paard zit de Oorlog. De ruiter op het zwarte paard is de Honger en de ruiter op het vaalgrijze paard is de meest angstaanjagende van de vier. Die ruiter brengt de pestilentie. De dood komt in ons midden als een zwarte rook, als een spook dat geen genade kent voor kinderen, jongeren of mooie mensen.
De Gentenaars
durven niet meer uit hun huizen te komen. De magistraten zijn zo bang dat ze niet de straat durven op te gaan om het testament van de stervenden op te nemen. De priesters weigeren hun kerk te verlaten en de biecht af te nemen uit angst besmet te worden. Mensen schrapen gruis van de kerkmuren af en dragen het op hun borst om zich zo te beschermen. Ze bidden paternosters en weesgegroetjes. Ze branden kaarsen voor het beeld van Onze-Lieve-Vrouw. Elke heilige wordt te hulp geroepen. Iedereen smeekt God om genade. Niets helpt. Het geduld van God is op. De pestilentie verspreidt zich als een uitslaande brand. Het zijn vooral de kinderen die besmet worden. Moeders laten hun zieke kinderen over aan hun lot. Een vader bezoekt zijn zoon niet en de zoon zijn vader niet. De houten, afgesloten havenkranen waarin kinderen werken, vallen stil. Keukenmeester Aelbrecht verliest de ene jongen na de andere. Maar niet alleen kinderen sterven. Roderik van Rijpergherste gaat dood. En ook Constance, mijn Constance, redt het niet. Ze wordt naar een pesthuis gebracht waar ze tussen andere zieken, in een zee van geweeklaag en gejammer, moet wachten op haar dood. Ik heb van haar, de vrouw die mijn moeder heeft proberen vervangen, niet eens afscheid kunnen nemen.
Mensen schuwen mensen. De naastenliefde is dood. De klokken luiden dag en nacht, omdat de doodgravers hun loon willen ontvangen zolang ze dat nog kunnen. Mijn vader verbiedt de gilde van de doodgravers nog langer de klokken te luiden. Hij verbiedt dat mensen zich nog in het zwart kleden, zelfs de weduwen niet, en ook de omroepers van doodsberichten moeten voortaan hun mond houden. De Gentenaars zeggen dat er zoiets bestaat als een Pestmeisje dat in de vorm van een blauwe vlam uit de mond van de doden opstijgt, door de lucht vliegt en zo het volgende huis besmet.

Uit:
Jean-Claude van Rijckeghem en Pat van Beirs: Jonkvrouw (2005), p. 238-239



Vind dit boek in de bibliotheek Gent