terug naar index
Gent, de bandhond

In de strijd van de Kerels van Vlaanderen tegen de Fransen in de 14de eeuw ontdekt Willem Diederik de Zegger een verrader.

Willem Diederik hief de wachtlantaren op die hij onder zijn kolder had geborgen.
“Verraad! Verraad!” schreeuwde de moedige jongeling. “Jan van Namen is ontsnapt;” en onder dien uitroep zeeg hij bewusteloos ten gronde: een ruiter van ’s graven gevolg had hem met een zwaardsteek den mond gestopt.

“Verraad! verraad!” die smartelijke woorden hadden weerklank gevonden. “Verraad! verraad!” galmden duizenden monden. “Verraad! verraad!” verkondigden de bazuinen der trompetters die alarm blaasden; en uit alle hoeken en straten der stad gingen er wraakkreten op. De wapenknechten der parochiën kozen de partij des volks; de zwaarden der Klauwaarts schitterden in den optrekkenden nevel, en het bloed der vijanden parelde op de kille lemmers der goedendags. Onder de wraaknemende opstandelingen bemerkte men eenige hoofddekens der neringen, en zelfs schepenen der stad; en waar een Klauwaart nederviel, daagde een schaar volksmannen op, als bezat Vlaanderen een onuitputtelijke legermacht. Vele opvolgende dagen werd er geplunderd en gebrand; en scheen de volkswraak voor eenige stonden te bedaren, dan was het om na de rust weder op te flikkeren, gelijk de smeulende gloed van een slecht gedempten brand.

Terwijl zijn makkers in den roem deelden van den strijd, zat de gewonde Willem de Zegger met een verbonden hoofd bij de haarstede der kleine landbouwerswoning van zijn moeder. Hij was weerloos, maar zijn ziel stond op tegen de lafaards, tegen de Leliaarts, tegen de geblinddoekte grooten van Vlaanderen, en vooral tegen Gent, voorheen de parel der steden, dat onder de drukking der Leliaarts den graaf getrouw bleef, gelijk de bandhond zijn meester voor een stuk brood!

In zijn eenzaamheid klonk het van zijn snaren:

“Gent, zusterlijke stad, waar toeft gij?
De volkszee bruist en ’t bloed spat op het strand,
Dat langer niet de mantel van de schand’
Uw’ leden dekke. O, Gent, waar toeft gij?
Al heeft de geur der leliebloesem
Van Frankrijk, u in slaap gesust,
Een heldenhart klopt in uw’ boezem,
De stormklok bromt verraad; gij, puik der steden, rust.
Sta op, slaap langer niet op uw verdorde bloemen,
Of ’t nageslacht zal u in uwe zonen doemen.”

Zoo zong de vaderlandsche Zegger, terwijl zijn moeder zat te spinnen; dergelijke gedachten rezen in zijn ziel op, terwijl de oude vrouw een verband legde op zijn wonden, en hij, sidderend van pijn, op de lippen beet. Maar Gent luisterde niet naar de woorden van den zanger, noch naar de roepstem der gesneuvelden, die uit de graven oprees. De stad waar de behuwdzoon van Zeger de Kortrijkszaan, de wijze Jakob van Artevelde, tot heden nauwelijks zijn vaderlandslievende gevoelens durfde uiten, was bang! en onder de drukking der Leliaarts, o schande! bleef zij den graaf getrouw. Terwijl West-Vlaanderen de vlekken van den geleden hoon afspoelde in vijandelijk bloed, zond Gent afgevaardigden naar Frankrijk; en op hun gesmeek kwam de graaf, in de eerste dagen der maand December, terug in Vlaanderen, dat hij zoo schandelijk had verwaarloosd.

Uit:
Joanna Desideria Courtmans-Berchmans: Bertha Baldwin (1871), geciteerde ed. 1923, p. 20-21


Vind dit boek in de bibliotheek Gent