terug naar index
Feest in het jongensweeshuis

De hardvochtige directeur van het jongensweeshuis organiseert in de jaren 1930 regelmatig feesten voor het grote publiek. Voor de “kulders” (weesjongens) is elk feest desondanks een gelegenheid om hun waarde te tonen en onder de mensen te komen.

Peere en zijn feesten

Peere had talent voor public relations, dat moest je hem nageven. Als geen ander wist hij de publieke opinie te bespelen om zo het imago van de kuldersschool, en dus zijn eigen imago, op te poetsen. Hij gooide de deuren van de kuldersschool open. Hij greep elke gelegenheid aan om een feest te houden, waarvoor hij zelf enthousiast het programma samenstelde.
De feesten van de directeur waren bekend bij de Gentse bevolking, want hij was niet bescheiden. Het liefst hield hij ze op de enorme binnenplaats, waar hij als het weer meezat wel zevenduizend plaatsen kon g
aranderen. De feesten waren zijn lust en zijn leven. Wij werkten gretig mee, want de feesten brachten leven in de brouwerij. Maandenlang was de directeur bezig met de organisatie en het programma.
‘Meneer Cammaert! Meneer Cammaert!’
De turnleraar, die door de kulders meneer Belgique werd genoemd omdat hij ambities had als bokser, kreeg tandenknarsend zijn instructies.
De meest lenige scholieren liet hij levende piramides vormen, het liefst zo hoog mogelijk, zodat de toeschouwers hun adem inhielden en na afloop geestdriftig applaudisseerden. Tot spijt van Peere sprak hij daarvoor regelmatig Geo en Carlos aan. Liever had Peere deugdzamere kulders gebruikt.
‘Hebt ge geen andere kandidaten, meneer Cammaert?’
‘Nee, het zijn de beste.’
Hoewel Geo en Carlos door hun gedrag regelmatig tegen Peeres vuist aanliepen, kenden ze geen angst op de levende piramide en omdat Peeres hunkering naar applaus groter was dan zijn afkeer van de jongens, gaf hij steeds schoorvoetend toe.
Tussendoor liet Peere enkele gedichten voordragen. Bij de oudsten kwamen daar enkele jongens voor in aanmerking die naar de normaalschool gingen en die door de directeur trots naar voren werden geschoven. Bij de scholieren was ik zijn favoriet. Met mijn blonde haar en blauwe ogen kon ik de dames tot tranens toe ontroeren en bovendien vonden ze mijn Hollandse accent uiterst charmant.
En het tableau vivant! Een feest was geen feest voor de directeur zonder het tableau vivant, waarvoor hij bij voorkeur een favoriete scène uit de vaderlandse geschiedenis liet uitbeelden.
De tijd staat altijd even stil bij zo’n tableau vivant,’ vond hij.
We vochten om te kunnen meedoen. Eventjes waren we dan geen onbeduidende kulders meer. Terwijl het applaus om ons heen losbarstte en we als levend standbeeld onze rol speelden, kregen we een heroïsche blik in onze ogen en werden we even de helden die we roerloos uitbeeldden.
‘Als afsluiter de Brabançonne, dat spreekt voor zich!’
Meneer Dewaele, de dirigent van de kuldersfanfare, deed nooit moeilijk, maar hij fluisterde de directeur zijn eigen suggesties toe.
‘Een stukje Cavaleria Rusticana misschien? Of een militaire mars, met de trompetsolo’s van de cavalerie. Ja! Een mars over de binnenplaats met Xavier, die de fanfare vooraf gaat. Dat is altijd een succes!’
De directeur ging steeds akkoord met de suggesties van de dirigent, zolang die hem het gevoel gaf dat het oorspronkelijke idee van hem kwam.
De fanfare werd door Peere gretig als visitekaartje gebruikt. Het geborstelde zondagse pak, de glimmend gepoetste schoenen, de blinkende koperen instrumenten. Een stadsfeest leek in de jaren dertig niet volledig zonder de fanfare van de kulders. De muziek van de kulders bracht geld in het laatje en zorgde tezelfdertijd voor een vrolijk imago.
Helemaal mooi was het als de directeur ook de weesmeisjes kon strikken. Met een dansje misschien, een mooi lied?
De opbrengst van Peeres feesten ging naar goede doelen. Het Werk der Gezonde Lucht, of het Reisfonds voor de Wezen.
‘Er zal wel het een en ander aan de vingers van de directeur blijven plakken’, zei surveillant Evrard tegen surveillant Bonte. ‘Hoe komt zijn kelder anders zo goed gevuld? Het zal wel niet zijn bedoeling zijn om de magere tafels van de kulders te bevoorraden.’
De directeur woonde met zijn vrouw in de directeurswoning. Ze waren kinderloos.
‘De weesjongens zijn mijn kinderen’, zei de directeur herhaaldelijk.
Voor de bestuursleden was dat een onuitputtelijke bron van inspiratie. Bij elke plechtigheid, elk feest kwamen dezelfde gevleugelde woorden vanaf het spreekgestoelte.
‘Ge moet eerbied hebben voor uw oversten, aan wie ge zoveel te danken hebt. Ge moet dankbaar zijn voor de inzet en zorgzaamheid van uw directeur! Qui est comme un père pour vous! Comme un père!’
De echtgenote van de directeur fronste dan en keek wat zorgelijk, alsof ze daar zo haar eigen mening over had. De kulders hielden die mening niet voor zich. De directeur onze père? Ha! De enige zorgzaamheid die wij van hem te horen kregen was: zwijgen en luisteren. Voor de rest konden we altijd een peer op ons muile krijgen van onze zogenaamde père.
We noemden hem spottend Peere.

 

Uit:

Lies Bate: Nestvallers (2008), p. 28-30



Vind dit boek in de bibliotheek Gent