terug naar index
Eine Soiree bei Willems

In 1844 maakte de Duitse schrijfster Luise von Ploennies, die veel belangstelling had voor de Vlaamse taal en de Vlaamse Beweging, een reis door België. In Gent maakte zij kennis met de kopstukken van de Vlaamse Beweging. Op een avond werd zij ten huize Jan Frans Willems uitgenodigd.
Na de originele Duitse tekst volgt een Nederlandse vertaling door de redactie [incl. de vertaling van de Franse dialogen].

 

 

Ha! dat moet men bekennen,
niets gelijkt aan [sic] de Fransche politesse
(Karel Ondereet, De Gallomanie)

 

Herr Willems hatte uns für den gestrigen Abend eingeladen. Ich freute mich, bei dem ruhmvollen Verfechter der flämischen Sprache einen Kreis ehrlicher Flamänder anzutreffen. Ich trat in einen schönen Zirkel von Herren und Damen, und wurde sogleich auf das Sopha festgepflanzt, zwischen zwei Damen, von welcher die eine die Frau des Hauses war. Sie stellte mich meiner Nachbarin zur Linken vor. Mein neu erlerntes Flämisch so schnell als möglich zu einer kleinen Anrede zusammensetzend, drückte ich ihr meine lebhafte Freude aus, eine Anhängerin der flämischen Bewegung in ihr begrüßen zu dürfen. Meine Anrede wirkte aber anders, als ich es erwartet hatte; offenbar erschrocken, sah mich die Dame mit Augen an, in welchen das höchste Erstaunen zu lesen war.
Wennn es eine Dame in unseren Salons einfiele, plötzlich odenwälder Deutsch zu sprechen, so könnte die Bestürzung nicht größer sein. Sie murmelte einige undeutliche französische Worte, worauf ich sie in derselben Sprache fragte, ob sie es es denn nicht vorziehe, sich in der Landessprache zu unterhalten? “Mais le français c’est la langue du pays” erwiederte sie mir, “et c’est bien la votre aussi car je sais bien qu’en Allemagne on parle le français comme chez nous, c’est chose connue”. Ich erlaubte mir, ihr zu wiedersprechen, worauf sie mit ziemlicher Zuversicht sagte: “Mais les représentations de théâtre, les discours des chambres,les déclamations tout cela se fait en français”. Abermaliger Widerspruch von meiner Seite. “Mais si la langue française n’est pas votre langue de préférence, comment cela se fait il que vous avez l’habitude de la parler?”. Ich sagte ihr, daß wir Deutsche alle Sprachen lernten, und nachdem wir sie alle erfaßt hätten, um so freudiger zu unserer Muttersprache zurückkehrten. Darum sei ich erstaunt, zu hören, daß die Belgier die ihre so ganz verachteten. “Ah, que voulez-vous, c’est une langue entièrement gatée, c’est la langue du peuple et vous excuserez Madame que je ne puis revenir de ma surprise de vous l’entendre parler”. Das war ein Misgriff, diese Dame hatte keinen Antheil an der flämischen Bewegung.
(…)
Übrigens ist viel Affektation bei dieser scheinbaren Unwissenheit des Flämischen mit im Spiel, denn ich habe mich überzeugt, daß in den ersten Häusern flämisch gesprochen wird, wenn man unter sich ist. Nur so bald sie in die Welt treten, werfen sie das FLämische ab, wie einen alten Hausrock, und behängen sich mit französischem Flitter. Unter dem eigentlichen Volk herrscht das Französische weniger, als man es glauben sollte, sie verstehen es zwar fast alle, aber sie radbrechen es auf schauderhafte Weise.

Nederlandse vertaling:

Een avond bij [Jan Frans] Willems

Ha! dat moet men bekennen,
niets gelijkt aan [sic] de Fransche politesse
(Karel Ondereet, De Gallomanie)

 

De heer [Jan Frans] Willems had ons gisteravond uitgenodigd. Ik verheugde mij er op, bij de roemrijke voorvechter van de Vlaamse taal een kring van oprechte Vlamingen aan te treffen. Ik vervoegde een keurige kring van heren en dames en werd meteen op de canapé geplant, tussen twee dames, waarvan de ene de vrouw des huizes was. Ze stelde mijn buurvrouw aan de linkerzijde voor. Mijn pas geleerd Vlaams zo snel mogelijk bijeenrapend voor een klein gesprek, drukte ik mijn oprechte vreugde uit, in haar een aanhangster van de Vlaamse Beweging te mogen begroeten. Mijn woorden pakten anders uit dan ik verwacht had; klaarblijkelijk geschrokken keek de dame mij aan met ogen waarin de grootste verbazing te lezen was.
Als een dame ons salon binnenviel en plots Odenwalder Duits [= uit het Duitse “middelgebergte”] zou beginnen spreken, zou de ontsteltenis niet groter zijn. Ze murmelde enkele onduidelijke Franse woorden, waarop ik haar tamelijk zelfverzekerd in dezelfde taal vroeg, of ze dan niet liever verkoos, een praatje te maken in de landstaal? “Mais le français c’est la langue du pays”[Maar het Frans is de landstaal] antwoordde ze mij, “et c’est bien la votre aussi car je sais bien qu’en Allemagne on parle le français comme chez nous, c’est chose connu” [en het is ook wel de uwe want ik weet dat men in Duitsland Frans spreekt, net als bij ons, dat is algemeen bekend]. Ik veroorloofde mij, haar tegen te spreken, waarop zij nagenoeg vertrouwelijk zei: “Mais les représentations de théâtre, les discours des chambres, les déclamations tout cela se fait en français” [Maar de toneelopvoeringen, de toespraken in de Kamers [=parlement], de voordrachten , dat alles gebeurt in het Frans]. Herhaalde tegenspraak van mijn kant. “Mais si la langue française n’est pas votre langue de préférence, comment cela se fait il que vous avez l’habitude de la parler?” [Maar als de Franse taal niet uw moedertaal is , hoe komt het dan dat u de gewoonte hebt om ze te spreken?] Ik zei haar dat wij Duitsers alle talen leerden, en nadat wij ze beheersten, toch liever naar onze moedertaal terugkeerden. Daarom verbaasde het mij te horen dat de Belgen hun [moedertaal] zo helemaal verachtten. “Ah, que voulez-vous, c’est une langue entièrement gatée, c’est la langue du peuple et vous excuserez Madame que je ne puis revenir de ma surprise de vous l’attendre parler”. [Ach, wat wilt u, het is een geheel verloederde taal, het is de taal van het volk en verontschuldig me, Mevrouw, dat het me blijft verbazen u die taal te horen spreken.] Dat was een dwaling, deze dame had geen belangstelling voor de Vlaamse Beweging.
(…)
Overigens is er veel gekunsteldheid gemoeid met deze ogenschijnlijke onbekendheid met het Vlaams, want ik heb me ervan vergewist, dat er in de voorname huizen Vlaams gesproken wordt als men er in familiekring vertoeft. Alleen zodra men de deur uitgaat, werpt men het Vlaams af als oude huiskledij en behangt men zich met het klatergoud van het Frans. Bij het echte volk overheerst het Frans minder dan men doet geloven, bijna iedereen verstaat het, maar ze radbraken het op afschuwelijke wijze.

Uit:

Luise von Ploennies: Reise-Erinnerungen aus Belgien(1845), p. 103-104, 109



Vind dit boek in de bibliotheek Gent