terug naar index
Een stukje Peyton Place

Ik leg de hoorn neer, neem mijn sigaretten en begeef mij naar een aangrenzend vertrek (’t drukkerskot) alwaar ik haastig in De Standaard begin te bladeren. En daar staat het. In de nacht van eergisteren op gisteren is in de Brugse St-Lucaskliniek op 21-jarige leeftijd de veelbelovende Vlaamse dichter Jotie T’Hooft overleden. Een overdosis. Ik vouw de krant dicht en ga voor het raam staan: achter mijn rug hoor ik de Marchands ratelen, telefoons rinkelen en buiten worden lege goederenwagons gerangeerd. T’Hooft is dood.
Ik heb weinig van hem gelezen en ontmoet heb ik Jotie eigenlijk maar één keer: op een donkere namiddag in december, in Gent, op een of andere redactievergadering. Buiten was het al zo donker dat het wel leek alsof al het nacht was. Het redactielokaal was niet veel meer dan een krottig hok en ook daar was alles duister, zó duister dat ik bij de begroeting "Dag juffrouw" tegen Jotie zei. Ik hield hem voor een meisje. Maanden later stuurde hij nog een briefje waarin hij me in het Zwarte Huis uitnodigde om eens over de Baal Sjem Tov te spreken maar ik moest wel mijn eigen bokes meebrengen.
Ik ben nooit gegaan.
(…)

        Wachtebeke, 15 februari 1978

Beminde Vriend,
Heb je het ook gehoord van J.E. Daele? Geen half werk. Ja, de liefde heeft wat op haar geweten. Nee, ik heb hem niet "gekend", wél drie of vier keer ontmoet. Iedereen heeft het nu over Daele de Rebel, de Oproerkraaier, maar bij mij kwam hij altijd over als een vriendelijke, ietwat vermoeide, tobberige eeuwige student. Dat was zeker zo tijdens onze laatste ontmoeting, in december 1976, op een aan de Gentse universiteit georganiseerde lezing waarop ook Roland Jooris, W.M. Roggeman en Marc Dangin uitgenodigd waren. Daele hield een topzwaar betoog tegen censuur, waar niemand naar luisterde. Na afloop hebben we een praatje gemaakt: hij moest naar huis, zei hij.
Het klopt dat hij in dit arm Vlaanderen moedige dingen heeft gedaan, maar van zijn werk heb ik nooit bijzonder veel gehouden: alleen zijn Onbekende vader vind ik enigszins genietbaar. Zijn kunstkritieken in Ons Erfdeel en Yang las ik maar zelden. Ik hou niet van "kunst". Allemaal onzin. En literatuur? Ook allemaal onzin. Je ziet wat er van komt: een stukje Peyton Place. "Misschien zal ooit de zon eens rijzen. Laat ons ten minste glimwormen zijn." Daele, op bladzijde 152 van zijn laatste boek. Zon. Wormen. Welke zon? Welke wormen? Vanavond schitterde er een ster aan de hemel die bij tussenpozen zo aanhoudelijk fonkelde dat het haast leek of iemand gaf lichtsignalen. Ik ben in het leger geweest, dus nam ik een blad papier en ontcijferde de volgende boodschap: JAN EMIEL GOED AANGEKOMEN + STOP + JOTIE + STOP +. Veel liefs,
Eriek Verpale

Uit:
Eriek Verpale: Katse nachten (2000), p. 198-201


Vind dit boek in de bibliotheek Gent