terug naar index
De sterkste man van Gent

Het is tevens het jaar waarin ik mij per trein naar het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten begeef alwaar onder anderen Simon Vinkenoog zal voorlezen. Van die poëzielezing bestaat een plaatopname met daarop onder meer de stemmen van Reve, Claus, een nog jonge Jules A. Deelder, en uiteraard ook Vinkenoog zijn stem staat erop. (UcheUcheUche.) Wie valt op bovenvermelde grammofoonplaat niet te beluisteren? De man met wie ik ’s anderendaags de treincoupé deel: hij moet ook naar Gent. Wij raken in gesprek. Wat ik in Brussel ben wezen doen? Dichters! roept hij geïrriteerd uit: dat zijn toch allemaal oplichters? Ik, zegt de man, op zijn borst wijzend, ik doe tenminste échte dingen, zoals spijkers krommen en ijzers plooien. Hij laat me een paar foto’s zien. Ik krijg er zelfs eentje van, maar een momentje, dan gaat hij er eerst nog zijn handtekening op zetten.
Voilà zie, ventjen.

In het echt, vertelt de man, in het echt heet hij eigenlijk Wilfried. Maar iedereen kent hem als Massis, John Massis.
"John? Maar dan heet gij zoals Tarzan," zeg ik.
Ja! roept Massis uit, en andermaal vertelt hij over zijn krachtpatserijen.
Bij het binnenrijden van het Gentse St. Pietersstation is Vinkenoog idool af. Ik heb een liever een idool dat dicht in de buurt woont.

Ik zou hem, John Massis, in de daaropvolgende jaren nog vaak zien: op kermissen, voor treinstellen, achter startende Davidsons, tijdens de Gentse Feesten, op een poëziehappening. En ik bleek een goeie keuze te hebben gemaakt: waar Vinkenoog hooguit nog het wereldrecord toeterlullen kon verbeteren, daar belandde Massis keer op keer in het beroemde Guinnessboek.
(…)


"De BRT doet niets voor zijn eigen artiesten," zo belde hij mij eens op. Vooral de televisie had alles kapotgemaakt. Het echte variété, het circus, de dierentuin. Hij drong er op aan dat ik nog wat méér moppen moest vertellen, en zekerst mocht ik bij de programmering de circusmuziek niet vergeten, dat hoorden veel mensen graag, en híj, vertelde hij, hij had een hele verzameling platen met derzulke muziek dropstane. Want Massis hield er niet van "bekakt" te spreken, en "bekakt" was in zijn ogen: Hollands.
(…)


Ik zit onder mijn kerstboom en luister naar mijn idool. Hij heeft een politieke partij opgericht, de Positief Radikalen, hij heeft daarover zelfs al een brief naar de koning geschreven. En niet alleen dat. Neen, hij, John Massis, gaat een echt boek schrijven, een echt boek. Hij heeft al een aantal titels in zijn hoofd, want de luisteraars mogen vooral niet denken dat John Massis alleen maar tanden heeft, neen, hij heeft ook hersens. Hij vertelt: over het grote land van Amerika, over Tokio, over Gent – de sterkste man naast Wilfried Morbee is Jakob van Artevelde.


Ik luister geboeid.
Buiten dwarrelt poedersneeuw naar beneden. Mijn kacheltje snort behaaglijk, overal is huiselijkheid, maar er is iets, ik weet niet wat, er is iets dat mij onrustig maakt en er valt een soort treurnis over mij. Het is de stem van mijn idool. Het lijkt wel of mijn idool oud aan het worden is. Het lijkt warempel wel dat hij zo vaak woorden als "alleen" en "spijtig" en "eenzaam" gebruikt.
(…)


We lopen hem tegen het lijf een half uur na ons optreden. Hij heeft ons aan het werk gezien. Ik wil nog snel wegduiken achter de rug van een bonenstaken new-waverke, maar nee, het helpt niet. Massis heeft ons herkend. Ja, zegt hij, wij zijn inderdaad als een gieter afgegaan, maar godvernondedinges, we moeten ons daardoor niet laten ontmoedigen. Iedereen valt wel eens op zijn bek. (Hij wijst daarbij op zijn gebit.) Wat wij dan wel denken wat het mooiste is dat een artiest in zijn vak kan bereiken? En doodeerlijk als die jongen is antwoordt Peter Vermersch: "Ooit nog eens mogen optreden voor Koningin Fabiola in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel."
Maar mijn oude idool heeft geen oor voor en geen zin in dat soort grapjes. Hij begint luid zijn woede te uiten, het gaat in schelden over. Zijn stem begeeft het bijna.
"Eerlijk blijven!" schreeuwt hij. "Echt blijven! Zoals de mannen van de cirque!" Hij, Massis, begint zijn woorden te illustreren met, bij voorbeeld: het optillen van een new-waverke. Ik ben sterker dan Tarzan, schreeuwt hij.
(…)


Massis maakt zich kwaad.
"Weet jij wel, passakroet, tegen wie je spreekt? Ik ben niet zo maar Dzjon, ik ben John Massis!" roept Wilfried Morbee. Mijn dun new-wavertje ziet het intussen ook al niet meer zo zitten. Ze lokt mij naar buiten. Eérst een tongetje draaien, en daarna wil ze de Soul Sisters zien.
(…)


Ik zal Wilfried Morbee nog één keer zien: achter het stuur van zijn bestelauto. Op de Vrijdagmarkt waar het standbeeld van Jakob van Artevelde staat. Sterke mannen. Idolen.

Uit:
Eriek Verpale: Olivetti 82 (1993), p. 45-51


Vind dit boek in de bibliotheek Gent