terug naar index
De leeuw van Vlaanderen (ontstaan)

Over het ontstaan van het volkslied De Leeuw van Vlaanderen, in 1847 geschreven door Hippoliet van Peene en getoonzet door Karel Miry.

In de eerste dagen van augusti 1848 bevond ik mij – zoo als ’t dikwijls gebeurde – ten huize van Van Peene. Onder vriendelijken kout spraken wij over Marseillaise, Branbançonne, God save the Queen, Wien Neêrlandsch bloed, enz. Toen eensklaps Paul Van Loo, schoonbroeder van den ontsterfelijken Van Peene, uitriep: “Wat jammer dat wij, Vlamingen, nog geenen nationalen zang hebben !..” Van Peene luisterde met aandacht terwijl hij gedurig – zooals ’t zijne gewoonte was – zijn bokkenbaardje streelde.
Drie dagen nadien kwam hij naar ’t lokaal van “Broedermin en Taalijver”, nam K. Ondereet – die alsdan nog eene schoone berytonstem bezat – ter zijde, en beide trokken naar boven in de repetitie-kamer. Eenige oogenblikken later hoorden wij bovengenoemde, onder de begeleiding van Van Peene die op zijne viool aan “ ’t krabbelen” was, zoo als hij het zeide, het lied beproeven.
Wij luisterden naar dien in den beginne overstaanbaren zang – Van Peene speelde de viool, ja, maar niet zoo als Vieuxtemps of Paganini – die ons al langs om meer begon te bevallen. Door nieuwsgierigheid aangedreven, trokken wij met eenige leden naar boven: “Is er geen belet? vroeg de oude P. Erfelinck. “Binnen, antwoordde men. “Wat is hier gaande?” sprak Gustaaf Verhaeghe – Hier is gaande, antwoordde K. Ondereet, dat Van Peene eenen volkszang gedicht heeft met muziek van zijnen neef Karel Miry, een lied dat binnen eeuwen nog de Vlamigen in geestdrift brengen zal!..
Een uur later deden wij met ongeveer 20 leden, en voor de eerste maal, “De Vlaamsche Leeuw” met volle stemmen in de lucht weergalmen.
Den 13 derzelfder maand, was het Van Peene’s naamdag – St. Hippoliet? – “Broedermin en Taalijver”ging ’s avonds naar de Wijngaardstraat, 14, harer sekretaris-opgever, te dier gelegenheid, met eene serenade vereeren. Men zong onder anderen “De Vlaamsche Leeuw” die door de toegeloopene menigte met eenen onbeschrijfelijken geestdrift, onder donderend handgeklap, herhaalde malen werd toegejuicht en gebisseerd.
Van Peene en Miry verklaarden zich gelukkig, zij hadden – en ’t publiek had zulks bekrachtigd – een vlaamsch nationaal gezang voor de Vlamingen alléén, geschapen, – ’t is te zeggen: een gezang noch voor katholieken noch voor liberalen, maar een gezang buiten alle politieke denkwijze... een gezang voor de Vlamingen in ’t algemeen !..
Eer aan Van Peene !.. Eer aan Miry !

Uit:

Frans Edmond Lauwers: Mijn gedenkboek (1887), p. 94-96