terug naar index
De laatste romanticus

Het huisje in het Pand. Hoeveel keer ben ik er geweest? Tien keer? Twintig keer? Ik voelde me er niet op mijn gemak. Je zat nog maar of daar kwam al een of andere baardaap binnen die een woordenboek nodig had, of een kurketrekker, of lucifers. Schooiers. Bohemers. Overjarig hippietuig. Artiesten. Richeltuig en flippende studentes. Een gemeenschappelijk toilet dat naar alle zeven plagen van Egypte stonk. En te midden van de crème de la crème woonde Reynier met zijn dochtertje Isabel. Soms had hij een vrouw, soms – meestal – had hij er geen. En áls er al een vrouw was: niet mijn soort.


Geitewollensokkendraagsters. Macramétuig, Japanse bloemenschiksters die in walmende macrobiotische troggen stonden te kneden. Een van die vrouwen herinner ik me nog maar al te goed: Lisette heette ze. Een lerares Nederlands. Zeer veel praat, maar geen poten aan het lijf. Dit soort gesprekken: kon Lisette overmorgen even op Isabel passen? Reynier moest dan aan de dialyse. Kon niet. Want had Lisette net een afspraakje met haar yogaleraar. Wilde ze Isabel van school halen? Kon ook niet wegens cursus kantklossen, boekbinden of zandtaarten bakken. Ik werd er zelf doodnerveus van. "Ram dat lelijke wijf toch de deur uit," dacht ik bij mezelf. Maar moe, dodelijk moe als Reynier zich toen al voelde, liet hij alles maar zoals het was. Isabel zat er met grote ogen bij.
(…)


Dat was waar Reynier ook zo vaak over klaagde: dat hij de slaap niet kon vatten. "Hoe komt dat?" vroeg ik hem dan. Ach, in het Pand was het ’s nachts nooit echt stil. Feesten, fuiven, happenings. En daar werd Isabel dan wakker van. Hij werd moe, liet hij zich op een keer ontvallen: hij werd moe van al die drukte. Drie keer in de week aan de kunstnier, wat bleef er nog over? Hij wou naar de boerenbuiten. Een hoevetje. Zelf groenten kweken. Beesten houden. Isabel vertrouwd maken met de natuur. 

Uit:
Eriek Verpale: Alles in het klein (1990), p. 94-96


Vind dit boek in de bibliotheek Gent