terug naar index
De kulderfanfare op stap

De tocht van de fanfare

Bijna elk weekend ging de fanfare nu op stap. Er werd bijna geen dekenijfeest gegeven zonder een optreden van de fanfare van de kulders. Het was altijd een geweldig moment wanneer de fanfare haar mars begon. Eerst gingen we in formatie staan op de binnenplaats, voor de grote poort. Dat ging altijd gepaard met wat duwen en trekken. Hier en daar deelde een surveillant een oorvijg uit. Maar niet te veel. Niet te hard. Ook zij genoten van het vooruitzicht op een uitje. De Chef wachtte geduldig tot iedereen zijn plaats gevonden had en stak toen zijn armen omhoog. Zijn handen gaven een teken. De blaasinstrumenten werden aan de lippen gezet, de trommelaars hielden hun stokken klaar, iedereen keek naar de Chef.
‘Eén, twee!’
Daar gingen we! De marsmuziek barstte los en bracht een elan in de groep dat iedereen om ons heen in zijn ban kreeg. De grote poort zwaaide open, alsof we die met geweld openbraken. We stroomden naar buiten, de straat op, nagekeken door de passanten. Vooraan liep een kulder met de vlag, van prachtig wijnrood fluweel en geborduurd met goudbrokaat. Het was Walter gelukt om in de fanfare te komen. Hij was ingedeeld bij de trommelaars en het was de eerste keer dat hij mee marcheerde. Voor ons liep Xavier, de knappe tamboer-majoor, die de fanfare aanvuurde met een zelfvertrouwen dat iedereen hem benijdde. Achter Xavier liep de rest van de fanfare, trommelend en blazend dat het een lust was. We hielden onze tamboer-majoor strak in de gaten en probeerden iets van zijn flair over te nemen.
Peere liep vooraan, naast de trommelaars. Zijn vierkante kop begon na enkele meters al te zweten en hij veegde hem regelmatig af met een zakdoek. Ondertussen zwaaide hij naar links, zwaaide naar rechts, liet niemand in het ongewisse wie hier de leiding had. Op belangrijke feestdagen, zoals voor het slotconcert van de Gentse Feesten waar altijd veel volk naar kwam kijken, liep hij zelfs voor de fanfare uit. Triomfantelijk, zijn forse buik vooruit als de boeg van een schip, alsof hij de hele fanfare trok.
Achter de trommelaars liepen de bugels, dan de hoorns, met aan weerskanten de Chinese bellen. Saxofoons, pistons en bombardon in het midden. Allemaal speelden we de ziel uit ons lijf.
Xavier was in zijn element, alsof hij met zijn staf geboren was. Het was een mooi exemplaar, bruin met een zilveren top en een zilveren handvat met bol. De staf zag er zwaar uit, maar Xavier hanteerde hem als een veertje. Hij zwaaide hem met zijn ene hand, dan met de andere, wierp hem hoog in de lucht om hem moeiteloos weer op te vangen. Intussen vond hij de tijd om naar de mooie meisjes te kijken, hier en daar te knipogen, zelfverzekerd te glimlachen alsof hij dezelfde avond nog aan hun deur zou staan. De jongste muzikantjes wekten een golf van genegenheid op, waar ze ook passeerden. Ze waren vertederend in hun uniformpjes, terwijl ze probeerden in de pas te blijven en tezelfdertijd oempapa oempapa te blazen of in de maat te trommelen. We stopten bij de deftige salons van Fritz in de Veldstraat, links van de Grand Bazar, waar de hoge burgerij koffie met pateekes kwam eten en we gaven een korte serenade.
Stafke liep er zwetend bij. Hij was ziekelijk verlegen voor de meisjes en telkens als we een fraai exemplaar voorbijliepen, stopte hij zich zoveel mogelijk weg achter zijn trombone.
Xavier schaamde zich er niet voor om een kulder te zijn. Zijn hele houding straalde fierheid uit en gedurende de hele tocht van de fanfare gaf hij ons een groepsgevoel, waar we trots op waren. We stapten vrolijk door, onze gedachten bij de pistolets met hesp of gehakt die we van de dekenij zouden krijgen, misschien wel met chocolademelk. Opgetogen marcheerden we, terwijl we glimlachten naar de vrouwen, die snoep en fooien in onze zakken staken en vrolijk voor ons applaudisseerden.


 

Uit:

Lies Bate: Nestvallers (2008), p. 76-77



Vind dit boek in de bibliotheek Gent