terug naar index
De kulderfanfare op de Gentse feesten

In de jaren 1930 worden heel wat feesten in Gent opgeluisterd door de fanfare van het jongensweeshuis, de “kulderfanfare” (onder leiding van “De Chef”).

Het slotconcert van de Gentse Feesten was het hoogtepunt van die zomer. Het was prachtig weer, massa’s mensen liepen door de straten en juichten de fanfare toe. Ook de kleine kuldertjes liepen mee. De mensen keken ze vertederd na. Massa’s fooien als de kleintjes meeliepen. De Chef keek opgelucht. De dagen voor een concert was hij altijd zenuwachtig, maar nu we eenmaal op weg waren, viel de spanning weg. Hij keek naar Xavier. De jongen was een godsgeschenk. De manier waarop hij de fanfare voorafging, deed niemand hem na. De Chef wist echter wat hem te wachten stond. Xavier was al zeventien en zou volgend jaar de kuldersschool verlaten. Hij glimlachte toen hij zag hoe Xavier naar enkele meisjes lonkte. De vrouwen waren zot van hem. Ze riepen hem na, giechelden en fluisterden, maar Xavier liet zich niet verder afleiden en stapte stevig door in de maat van de marsmuziek. Peere liep voor hem uit in het midden van de straat, ingenomen met het succes van de fanfare.
We kwamen de Korenmarkt opgemarcheerd. Dit was ons terrein. De dekenij droeg ons een warm hart toe. Tussen twee drinkgelegenheden was zelfs een bronzen plaat bevestigd ter ere van de kulders. Alle banken voor de koffiehuizen zaten barstensvol en de mensen drumden ertussenin om toch maar een plaatsje te vinden. Voortdurend klonk het geklingel van de trams die zich voorzichtig een weg tussen de menigte probeerden te banen. Een reusachtige tros felgekleurde ballonnen wiegde loom boven de massa. Overal stonden de vensters wagenwijd open. Mensen puilden uit de ramen naar buiten, blij met de zon, de feesten en het concert dat komen ging. We werden werkelijk bestormd. Onze triomf was totaal en dat beseften we. We stopten voor warenhuis Priba, waar de directeur elk jaar afwisselend de kulders en de blauwe meisjes op een maaltijd trakteerde. Dit jaar was het de beurt aan de meisjes.
Op een teken van de Chef begon de fanfare een serenade. De meisjes kwamen verlegen aan het raam, ze keken op ons neer. Ze zagen er liefelijk uit in hun gebloemde zomerjurkjes, die ze zelf hadden genaaid. Zelfs de meesteressen keken minzaam.
(…)
Peere gaf een teken en we marcheerden naar de kiosk, die was opgesteld voor de Métropole. We poseerden voor een foto. De kleintjes in het midden. Die zagen er schattig uit in hun kostuumpjes van cheviot, hun witte hemdje, baret en bottines. De mensen keken en lachten naar hen als naar aapjes in de zoo. Hun zakken puilden uit van de lekkernijen.
‘Ik wou dat ze mij zo vertroetelden,’ mopperde Carlos.
‘Met uw lelijke kop,’ antwoordde Geo, maar hij schoof wat opzij, voor alle zekerheid.
De kleintjes werden weggeleid. Nu was het tijd voor het concert.  Danses Norwégiennes van Grieg en de Barbier van Sevilla, waarin Geo een mooie solo speelde. De muziek kalmeerde me, zoals gewoonlijk. Het moment waarop de klanken van zijn sax boven alles uitstegen, zachtjes begeleid door de gewoonlijk zo luidruchtige fanfare. Het publiek beloonde ons met een warm applaus. Geo keek weer omhoog naar Emma.
Om acht uur werd het concert afgesloten. Onder begeleiding van onze eigen marsmuziek verlieten we de Korenmarkt. De mensen waren door het dolle heen, ze liepen met ons mee door de Veldstraat, de Verloren Broodstraat, de Rozemarijnbrug en de Bijlokevest. Het was een heel eind, maar dat scheen niemand te deren. Ze grepen nog hun laatste kans om ons snoep en fooien toe te stoppen. Voor de poort van het Kuldershuis stopte de fanfare. Peere klopte op de zware deur, die onmiddellijk openzwaaide. Hij had een knecht nauwkeurige instructies gegeven, want Peere hield van wat show. Nog een laatste triomfantelijke zwaai en Peere stapte naar binnen, gevolgd door de fanfare. Luid applaus van de menigte tot de laatste kulder verdwenen was. Het applaus hield op. De stilte die volgde voelde onwennig aan. De mensen glimlachten, keken naar de gesloten poort

 

Uit:

Lies Bate: Nestvallers (2008), p. 144-146



Vind dit boek in de bibliotheek Gent