terug naar index
De Hoveniersberg

De 14-jarige Gentse volksjongen Spijker komt op zijn dagelijkse krantenronde langs de Hoveniersberg.

Het kwam allemaal door de krantenronde. Met de éénenvijftig kranten die hij tussen half zeven en half acht in éénenvijftig brievenbussen moest stoppen. Spijker kende alleen maar de lastige brievenbussen. Mevrouw Koevoet die met een zuur gezicht aan haar voordeur stond wanneer Spijker vijf minuten te laat was. Of de Indische mevrouw hoe-heet-ze-ook-weer die altijd met hem een praatje wilde maken terwijl hij daar geen tijd voor had. Of de heer  J. Daenens, de ex-leraar wiskunde, die ooit een klachtbrief naar het verdeelcentrum had gestuurd omdat de voorpagina van zijn krant gescheurd was. Maar de lastigste van allemaal was de brievenbus waarop de naam prof. Jean De Kremer stond. Die brievenbus bevond zich bij het hoogste punt van Gent, in een steegje dat de Hoveniersberg heette. Spijker moest eerst de hele Sint-Pietersnieuwstraat op fietsen die steil naar boven ging en dan, net voor het Sint-Pietersplein, als zijn kuiten kraakten van inspanning, sloeg hij linksaf het steegje in dat dan weer steil naar beneden liep langs oude arbeidershuisjes die waren omgetimmerd tot studentenkamers. Aan het einde van de steeg had je rechts een poort naar de faculteit economie en links een blauw deurtje vol graffiti. Dat was de New York Times brievenbus. De brievenbus waarmee het allemaal begon.
(…)
Spijker was al ruim een half uur later dan gewoonlijk toen hij met zijn fiets het steile steegje van de Hoveniersberg afreed. De Kremer stond er niet maar dat was geen verrassing. Spijker was immers nog nooit zo laat geweest. De gammele graffitideur stond open en Spijker stapte erdoor. Achter de deur lag een modderig tuintje met zielige struikjes die hard hun best deden om de winter door te komen. Tussen de struikjes lagen lege blikjes bier en frisdrank die studenten over de muur hadden geslingerd. Aan de rechterkant, aan de voet van de helling, lag de Schelde. Links op de helling stond een oud, brokkelig huis dat veel weg had van een klein kasteeltje. Spijker klopte op de voordeur. Er kwam geen reactie. Hij duwde de deur open en keek naar binnen. Links van hem was een stenen wenteltrap die zich in een cilindervormig torentje naar boven slingerde. Rechts lag een kamer waar het daglicht naar binnen viel door gekleurde ruiten.
(…)
Spijker bereikte met zes grote sprongen de graffitideur. Hij gooide de enveloppe in zijn fietstas, duwde zijn fiets snel tegen de steile helling op en keek niet om. Zijn hoofd gloeide, zijn benen leken loodzwaar en hij voelde het maagzuur opkomen toen hij het kraken van de graffitideur hoorde. Iemand was hem achterna gerend. Hoeveel voorsprong had hij? Vijftien meter? Twintig? Het zweet spoot uit zijn poriën en hij voelde dat zijn hemd kletsnat was toen hij zich uiteindelijk in het fietszadel slingerde.
- ‘Stop,’ riep een stem achter hem, ‘stop.’
Aan de stem hoorde hij dat het de blonde Amerikaan was. Maar Spijker was nu te ver om nog te stoppen. Hij fietste de brede Sint-Pietersnieuwstraat in die het hoogste punt van Gent verbond met het laagste. Hij zoefde de straat door. Hij herademde. Nu zou hij zijn achtervolger in een oogwenk kwijt zijn. Hij keek achterom en zag hoe de Amerikaan het steegje uit stormde en hem over het trottoir achterna rende. Spijker voelde het bloed tegen zijn slapen beuken. Zijn voeten wiekten razendsnel met de trappers mee. Hij schoot vooruit. De omgeving werd een waas van kleuren. Hij zag alleen maar het korrelige asfalt dat onder zijn wielen weg flitste. Nog even, dacht hij. Maar toen zag hij, voor hem, het verkeerslicht op rood springen.
Spijker had het kruispunt van de Sint-Pietersnieuwstraat met de Lammerstraat altijd al vervelend gevonden. Als het groen was kon je zo lekker snel de helling helemaal af fietsen, regelrecht over het kruispunt. Maar als het stoplicht op rood sprong, werd je snelle afdaling geknakt en moest je lang wachten tot het weer groen werd. En meestal wachtte je voor niets want er kwam nooit veel verkeer van rechts. Met een beetje geluk, raasde het nu door Spijkers hoofd, komen er geen auto’s. Hij was al vaker door het rood gefietst. Er gebeurde nooit iets. Nooit. En dus zoefde Spijker, zonder zijn snelheid maar enigszins af te remmen, voorbij de stilstaande auto’s, dwars door het rode stoplicht. Hij hoefde nog maar dertig meter af te leggen tot aan de overkant van het kruispunt. Nog even, dacht hij. Nog heel even. Dan had hij het gered. Toen zag hij de vrachtwagen.
(...)
Een student met een stuk ijzer in zijn neus hielp hem overeind, een heer trok zijn fiets onder het voorwiel vandaan. Een dame bracht hem de enveloppe. Heb je niets gebroken? Is alles in orde? Moeten we een ambulance bellen? De vragen kletsten Spijker om de oren. Maar hij keek alleen maar naar de helling van de Sint-Pietersnieuwstraat en hij zag de blonde Amerikaan komen aanrennen. Spijker had toen nog alles kunnen laten gaan. Gewoon, de enveloppe aan de man geven, zijn gezaaide munten van de straat oprapen, zijn fiets nemen, naar huis lopen en zijn wonden likken. Het was zo eenvoudig. Zo gemakkelijk. Maar hij deed het niet. Hij stopte de enveloppe onder zijn jas, rukte zich los uit de helpende handen en zette het op een lopen. Zijn benen waren perfect in orde. Het was zijn rechterarm die de klap had opgevangen en die leek elke seconde pijnlijker en stijver te worden. Maar toch, in die eerste ogenblikken na het ongeluk, dachten zijn hersenen niet aan de pijn. Hij rende de Lammerstraat door en stormde het enorme winkelcentrum van het Zuid binnen waar iedereen kerst inkopen deed. Hij ging in een hoek staan, achter een bloembak, en keek rond. Tientallen mensen kuierden voorbij terwijl kerstmuziek uit de luidsprekers droop. Van de blonde Amerikaan met zijn paardenstaart geen spoor meer. 

Uit:

Jean-Claude van Rijckeghem en Pat van Beirs: De zevende sluier (2003), p. 7-8, 9-10 en 20-23



Vind dit boek in de bibliotheek Gent