terug naar index
De Hagelandkaai en Hagelandsluis (de middeleeuwse Rode Toren)

Na het stelen van de diamant uit de graftombe van Geeraard de Duivel, vlucht de 14-jarige Gentse volksjongen Spijker met ‘professor’ Hans Swaert richting Dampoort.

“Als we door die straat gaan, langs de havenkom en onder de Dampoort door, dan blijven we weg van het water,” zei de professor. En eenmaal onder de Dampoort zijn we buiten de stadsgrens van Gent.
(…)
Ze liepen richting Dampoort en Spijker keek hoe de wolken samenpakten boven de spoorwegbrug.
(…)
Daar, zie je die spoorwegbrug? We rennen er nu heen en dan eronder door en dan zijn we veilig. Het is de weg naar Antwerpen.”
“De weg naar Antwerpen,” stamelde Spijker, “dus is het hier waar de Rode Toren vroeger stond. Waar Gerard zijn vrouw en zoon verloor, waar de abt Baudemundus en zijn knecht dood werden aangetroffen...”
(…)
“Alstublieft, laten we hem de steen teruggeven?” smeekte Spijker.
“Ik denk er niet aan.”
“Alstublieft.”
De professor keek Spijker in de ogen. Hij aarzelde. En het beeld van de lachende Lucia schoot weer door zijn hoofd. Haar melkwitte tanden, de manier waarop ze haar lange haren opstak en haar rok gladstreek. Hij glimlachte als hij eraan dacht. Hij hoefde maar tot aan de spoorweg te rennen en ze was van hem. Hij keek naar de rode, fonkelende steen in zijn hand.
“Ik denk er niet aan, Jean-Pierre.”
Net op het ogenblik dat de professor opkeek, raakte de vuist van Spijker hem op de onderkant van de kin. Spijker voelde een pijnscheut door zijn arm suizen. Zijn elleboog trilde en heel even leek het alsof zijn rechterarm verlamd was. Maar hij had bereikt wat hij wilde bereiken. De professor had van de klap de steen laten vallen en Spijker griste hem mee met zijn linkerhand. En toen rende hij, zoals hij nog nooit had gerend.
De professor keek versuft naar de wegrennende jongen. Heel even begreep hij het niet en toen kwam woede als een vloedgolf in hem opwellen. En hij rende Spijker achterna.

Spijker holde door de Jan Van Gent-straat de Hagelandkaai op. Hij kneep in zijn verlamde arm om er weer leven in te krijgen. Hij hijgde, keek om en daar was Hans Swaert met in zijn ogen een woede die Spijker nog nooit in een mens had gezien. Nog even en hij zou hem inhalen. Spijker sprong over de grote ijzeren ketting die de straat afsloot van de kade, rende over de oude grijze stenen van de kademuur en sprong.

Het was riskant maar Spijker kon springen als een tijger. Hij ging perfect door zijn knieën terwijl hij de houten loopplank van de sluis onder zich voelde. Hij stond nu op de Hagelandsluis die de Schelde verbond met de havenkom van de Dampoort. Het was een oude, verweerde sluis die nauwelijks meer werd gebruikt. Twee enorme stalen poorten die uit het water oprezen en die  uiteen gingen om een boot door te laten. En over die sluispoorten liep een smalle houten loopplank met een  zware reling. De groene verf was er grotendeels afgebladderd en het metaal was verroest. Aan de onderkant van de sluis, zeven meter lager, likte het zwarte water het bruine metaal. En Spijker hijgde. Hij stapte verder de sluispoort op en probeerde met zijn rechterhand het metaal vast te grijpen. Maar zijn vingers kregen nauwelijks vat op de reling.

Uit:
Jean-Claude Van Rijckeghem en Pat Van Beirs: Duivelsoog  (2002), p. 63 ; 65-67


Vind dit boek in de bibliotheek Gent