terug naar index
De gemiste lakenunie met Engeland

Margaretha van Male, dochter van Lodewijk, graaf van Vlaanderen (14de eeuw), is getuige van het conflict tussen de Gentse gildenmeester Ackerman en haar vader, omdat de paus het geplande huwelijk met de Engelse prins Edmund van Langley heeft verboden. Daardoor komt de verhoopte lakenunie met Engeland op de helling te staan.

Op de dag waarop mijn huwelijk niet doorgaat, waait een westenwind waardoor de bloemblaadjes tussen het Gravensteen en de Sint-Janskerk uiteen stuiven. Ik loop langs de gaanderij die neerkijkt op de grote zaal. Ik zie de gildenmeesters Slicher van Rijpergherste en Frans Ackerman arriveren. Ackerman heeft twee mannen bij zich die gehuld zijn in witte kaproenen, een lange soort kap waarvan het uiteinde over de schouder gedragen wordt. Het zijn de kapiteins van zijn Gentse milities. Slicher van Rijpergherste kijkt nerveus om zich heen terwijl Ackerman één en al zelfvertrouwen uitstraalt. Mijn vader zit op zijn stoel die bekleed is met de huiden van damherten. Hij ontvangt de gildenmeesters en kapiteins alleen, zonder soldeniers naast zich.

- “Heer graaf,” begint Ackerman zonder buiging, “de hele stad gonst van de geruchten over de breuk tussen uw dochter en de prins van Engeland. Hoe komt het dat de paus deze unie verbeurd verklaart?”
- “Omdat mijn dochter en prins Edmund bloedverwanten van elkaar zijn in de vierde graad,” antwoordt mijn vader droog.
- “Hoe komt het dat de paus u deze brief stuurde? Wie heeft hem hiertoe aangespoord,” vraagt Ackerman, overlopend van zelfvertrouwen. Hij is immers in zijn stad.
- “Heren, u denkt toch niet dat ik de paus op de hoogte heb gesteld van het bloedverwantschap van mijn kinderen,” briest mijn vader terwijl hij zich opricht, “u bent toch niet van plan mij te beschuldigen in mijn eigen burcht.”

Hier aarzelt Frank Ackerman. Gildenmeester van Rijpergherste is intussen bleek geworden door al die uitwisseling van harde taal. Hij had vermoedelijk nog zo aan Ackerman gevraagd om de zaak met de gepaste diplomatie aan te pakken.
- “Zweert u, heer graaf,” dreigt Frans Ackerman met galmende stem, “dat u noch uw dochter hier een hand in hebben?”
- “Ik hoef geen verantwoording af te leggen,” trekt mijn vader zijn schouders op, “de paus is wijs als de muzen. Hij is het spraakorgaan van God.”
- “Maar wij, heer graaf,” zet Slicher een voorzichtige stap in de richting van mijn vader, “wij zijn het spraakorgaan van de Vlamingen. En wat moeten we hen zeggen wanneer zij ons ter verantwoording roepen? Hoe kunnen wij hen verzekeren dat u geen woordbreuk hebt gepleegd?” 
- “Omdat ik het u zeg,” pareert mijn vader met gemak.
- “Geef de kwade menigte geen excuus om te doden,” articuleert Ackerman voorzichtig, “want zij zal het doen. Net als in Brugge, tijdens de rode nacht, zestig jaar geleden.”

Hier draait de Brugse voorman zich met opgeheven handen naar zijn Gentse ambtsbroeder. Hij maant hem aan tot kalmte en zelfbeheersing maar Ackerman wil er niets van weten.
- “Heer Ackerman,” spreekt mijn vader dan, “ga zo door en u eindigt net als uw voorganger Jacob van Artevelde, die door zijn eigen Gentenaars werd afgeslacht.”
Zijn woorden zitten vol onheil maar Ackerman wijkt niet. Slicher van Rijpergherste besterft het van de zenuwen. De kapiteins van Ackerman hebben hun handen rond de gevesten van hun zwaarden.
- “Het volk gromt en vermoedt, heer graaf, dat u Vlaanderen wil verkopen aan Frankrijk,” zegt Ackerman zonder verpinken.

Ik zie hoe de vossenkop van mijn vader verhardt. Het litteken dat zijn oog in een wurggreep houdt, loopt rood aan. Hij stapt naar voren en slaat Ackerman vlak in het gezicht. Het bloed spat uit zijn neus. Ik schrik terug. De twee kapiteins willen hun zwaarden trekken maar mijn vader heeft zijn zwaard al in zijn hand. De punt ervan prikt in de keel van Ackerman. Het heeft nauwelijks een oogwenk geduurd. De kapiteins doen een stap achteruit.
- “Heren, heren, alstublieft,” kreunt Slicher terwijl het zweet hem over de bolle wangen loopt, “laat ons toch de zaak in kalmte bespreken.”
De soldaten van de wacht komen aanrennen maar mijn vader houdt ze met een handgebaar op afstand. Hij is de situatie volledig meester.
- “Ik zweer, heer Ackerman, dat ik niets te maken heb met de pauselijke brief,” kijkt mijn vader Ackerman in de ogen, “het was ook mijn wens dat Vlaanderen en Engeland in elkaar op zouden gaan. Ik wilde mijn dochter schenken aan Edmund.”

Mijn vader heeft langzaam gesproken. Hij lijkt zelfs van de confrontatie te genieten. De handen van de kapiteins houden nog steeds de gevesten van hun zwaarden vast. Pas als de soldaten van de wacht met hun grote lansen dichterbij komen, laten ze die los. Slicher trappelt ter plaatse alsof hij zijn voeten niet meer meester kan van de spanning.
- “De paus is een marionet van de Franse koning,” sist Ackerman. Hij is niet onder de indruk van de punt van mijn vaders zwaard.
- “Hij is nog steeds de brug tussen God en de mensheid,” antwoordt mijn vader rustig, “en zijn wij niet allemaal marionetten in de handen van de Heer?”
- “Wij Vlamingen niet,” roept Ackerman.
Mijn vader heft het gevest van zijn zwaard in de hoogte zodat de punt ervan in het keelputje van Ackerman komt te liggen. Mijn vaders zwaard weegt zeker vijf pond maar zijn hand beeft niet.
- “Jullie Vlamingen kopen wol van Engeland,” zegt hij, “niet van de Engelse koning, niet van de Engelse edelen, maar van de Benedictijnen die op hun landerijen tienduizenden schapen hoeden. Als u tegen de wil van de paus in gaat, zult u ook geen wol meer krijgen van de Benedictijnse kloosters.”

Ackermans gezicht is van marmer. De graaf moet weten dat hij hier is gekomen vol woede en frustratie. Niet met sterke argumenten, noch met dwangmaatregelen waarmee hij de graaf op de knieën kan krijgen. De zaak was verloren nog voor hij was besproken. Slicher gaapt naar Ackerman en de graaf. Hij is verstijfd.
- “U zou de mantel van de paus kussen en zijn voeten met uw eigen haren reinigen indien de Benedictijnen u hun wol goedkoper zouden leveren, gij geldhongerige wever,” besluit de graaf en hij laat zijn zwaard langzaam zakken. De punt van het zwaard rust nu op de kraag van Ackermans tuniek.
- “Het komt me voor, heer graaf,” zegt Ackerman terwijl hij de punt van mijn vaders zwaard opzij duwt, “dat uw dochter zich niet in de hand laat houden.”
- “Mijn dochter onderwerpt zich aan mijn wil.”
- “Uw dochter, heer graaf,” komt Slicher nu eindelijk tussen, “maakt ons belachelijk.”
Mijn vader zucht. Ik stap achteruit, in de schaduwen van de gaanderij.
- “Ze is een paard zonder leidsels,” legt Slicher uit, “de mensen zeggen dat ze de kolder in het hoofd heeft. Heel Vlaanderen roddelt over haar. Over haar juwelen, haar kleren, haar tooidrift en haar hovaardigheid. Ze noemen haar ‘prinses parel’. Ze heeft een sterke man nodig. Een man als Edmund.”
- “Indien ze van gewone afkomst was,” vult Ackerman aan, “zou ze allang op de markt zijn tentoongesteld met een muilkorf zoals men dat doet bij kijvende wijven.”
- “Maar ik ben niet van gewone komaf,” roep ik terwijl ik uit de schaduwen stap en de hoofden zich naar mij keren, “ik ben uw toekomstige gravin. Na de dood van mijn vader heers ik over Vlaanderen. Wie ik ook trouw, ik blijf uw gravin.”

De autoriteit waarmee ik gesproken heb, slaat de gildenmeesters en de kapiteins met verstomming. Zelfs mijn vader is er even stil van. Dan glimlacht hij breed.
- “Ik stel u, vriend Ackerman, bij deze vrij van de belasting die ik hief om het toernooi en het huwelijk te bekostigen,” zegt mijn vader gul. Ackerman ontspant zich. Slicher lacht hikkend.
- ‘Ik houd u aan uw belofte, heer graaf,’ zegt Ackerman koel. Hij laat zijn hand over zijn bloedende neus glijden als teken dat hij de belediging niet zal vergeten. Dan maakt hij een zuinige buiging en draait zich om.

Uit:

Jean-Claude van Rijckeghem en Pat van Beirs: Jonkvrouw (2005), p.

229-234



Vind dit boek in de bibliotheek Gent