terug naar index
De droom van Jacob van Artevelde

Hier droomde ik dus mijn schonen droom, o Gent,
Mijn hartgeliefde stad die mij zult moorden.
Wanneer? Ik weet het niet, maar ‘k las den dood
In ’t oog der dronken wevers, ‘k hoorde hem
In hunnen roofdierschreeuw. Ik zie hem hangen
In deze grauwzwarte onweerswolken, waar
De bliksemdolk weldra uit flikkert. ‘k Zie hem…
De torens schijnen in het wolkenschuiven
Te wagg’len, als doorstooknen, eer ze storten.
Storm brengt een vroegen en een donkren nacht:
Nacht zonder ster… slaap zonder droom. Gent, Gent,
Hadt gij mijn droom verstaan, hij was geen droom meer,
Hij was een kroon reeds, om uw hoofd gespannen,
Waar koningen naar schouwden, bleek van schrik,
En kleinen, lachend, als naar moeders aanzicht…
– Nu was uw woord reeds wet voor vele steden
En leende half Europa ’t oor, als Gent sprak
Het hoge woord van broedermin en vrijheid. –
Reeds halfvolwassen stond hij. Half wordt heel
Zo licht, zo licht als ’t eerste gaaf en goed was.
Maar nu is alles slechts een holle droom,
Die onweerhoudbaar als de zonne zinkt.
Deze’ avond zonk de zonne niet. Stormavond
Vermoordt de zon. Geen nood: zij zal herrijzen!…
Zij schept zichzelf en hare gloriedagen,
Zij, moeder van den daagraad en zijn kind…
’t Is niets te sterven als men ’t leven houdt,
’t Is niets als men het leven geeft!… Mijn droom,
Mijn droom… waar blijft gij leven, zo ik heenga?
Wie streeft naar u, wie denkt aan u in Gent?
De een strijdt voor zijn getouw en de andre voor
Zijn kuip ; de ringmuur is hun nog te wijd;
In ’t hart der stad verrijzen nieuwe vesten,
In ’t steen der eedlen, in verschanste huizen.
Hoe droef-dwaas!… In het binnenst van zijn lichaam
Verschanst de maag zich tegen ’t hart, ’t hart tegen
De longen en de longen tegen keel en mond,
Ach, tegen alles! Neen, hier heerst geen liefde,
En waar geen liefde heerst, daar gaapt het graf…
Maar stond een ander op die zag als ik,
Die droomde als ik? ‘k Ben uit dees grond geboren;
Een ander kon het ook; in hem herleeft dan
Mijn droom en slaagt wellicht. Wis droomt hem iemand;
Hij is te eenvoudig-klaar, te schoon-natuurlijk!
God geve… dat hij hem niet moet begraven
Als ik nu… Een zware klok luidt.
 Roeland!… Gent’s geweldge stem!
Hebt gij ’t gehoord dan, Gent, en luidt ge plechtig
Ter uitvaart van mijn grootheidsdroom? O Roeland,
’t Volk loopt en rent de straten langs, wanneer
Uw stem weergalmt, en niemand wordt in Gent
Gehoorzaamd, niemand, neen, behalve gij.
Gent buigt zich voor geen enklen mens, volgt niemand;
Maar gij zijt een gedachte! Kon ik stervend
Mijn ziel in u maar laten varen, Roeland,
Mijn droom uw stemme laten worden, immer!

Uit:
Cyriel Verschaeve: Verzameld Werk (1954-1961), 8 dln., dl. 2: Toneelwerken, p. 117-118


Vind dit boek in de bibliotheek Gent