terug naar index
De brand : toneelspel in een bedrijf

Fabrieksbestuurder Rendall en Wynand, een geniale, socialistische werkman uit zijn fabriek, verschillen van mening over de toekomst.

WYNAND
Goeden avond, Mijnheer Rendall, ik ben vereerd, dat ge in mijne nederige kluis u wilt begeven. Ik hoop, dat uwe komst de eerste stap zal zijn op eene goede baan, op de baan van vooruitgang… voor u en voor ons werkvolk.

RENDALL
Ja… ik weet, vader Wynand, dat gij een braaf, eerlijk, oprecht werkman zijt. Sinds dertig jaren in mijnen dienst ken ik u zóó. Wel wat dwaze muizenissen in ’t hoofd over de verheffing van het proletariaat en verdere zinsbegoochelingen… maar in den grond toch goed, werkzaam, verkleefd aan zijn meesters. Geloof mij, vader Wynand, laat de werkersstand wat hij is, verhef u zelven, ziet niet naar anderen om. Moesten al de werklieden aan hunne lotsverbetering denken, ze zouden te veel het hoofd opheffen… en dat is niet goed, geloof mij. Er moeten werklieden en meesters zijn, net zoals er armen en rijken moeten zijn… Dat is vast!…

WYNAND
Daarover, Mijnheer Rendall, wil ik met u niet redetwisten. Laat ons liever tot onze zaken overgaan. Ziehier de teekeningen. (Hij legt ze ter tafel en toont ze den heer Rendall. Terwijl Albert, vader Wynand en Rendall de teekeningen nazien en heftig schijnen te spreken, zitten vrouw Wynand en Blanka aan naaiwerk bezig op den voorgrond, links.)
(…)

RENDALL
We zullen die tuigen laten maken; ze zullen wonderen verrichten. O ’t is schoon, ’t is verheven, vader Wynand, u zoo voor ’t algemeen welzijn te offeren… Ik zal u rijkelijk beloonen… Want nu zal de fabrikatie veel min armen te benuttigen hebben, waar vroeger vier werklieden noodig waren, kan er nu één ’t werk verrichten. Dat zal eene ferme besparing zijn. We zullen alle andere fabrieken in den grond boren, Wynand!… Hunne mededinging hebben wij niet meer te vreezen.

WYNAND
Gij vergeet, Mijnheer, wat ik zeide: ik beoog het algemeen welzijn alleen.

RENDALL
Ja, ja, dat is zeer schoon, zeer loffelijk… Wij zullen de werkhuizen laten vergrooten. Ge zult rijk worden, Wynand, schattig rijk!

WYNAND
Wij verstaan elkander niet, heer Rendall, ik zeg het algemeen welzijn. Zoo ik er in toestem mijne teekeningen te laten uitvoeren, is het op voorwaarde, dat geen werkman er door zijn werk verlieze.

RENDALL
Maar er zullen er driemaal te veel zijn…

WYNAND
Laat ze driemaal minder werken.

RENDALL
Ze zullen te weinig winnen… Zij zijn nu nog niet tevreden.

WYNAND
Laat ze evenveel winnen, driemaal meer per uur!

RENDALL
Wordt ge dol, Wynand? Maar, waar is dan ‘t voordeel, waar is mijn deel, waar is ’t uwe?…

WYNAND
Ik vraag niets, uw deel zal nog kolossaal zijn… gij doet nog 50 ten honderd winst.

RENDALL
O maar, dat kan niet, dat is onzin, dat is… socialisme!… En ge durft me dat voorstellen! Gij, de oude Wynand?

WYNAND
Dat noemt ge zooals ge ‘t wilt, maar dàt stelt de oude Wynand u voor. De teekeningen zijn aan dien prijs. Anders begraaf ik ze met mij.

RENDALL
Maar ge suft, Wynand, ge suft. Al wat ge zegt, hangt niet aaneen. Kom, ik ben een goede ziel. Ik geef u voor de teekeningen tien duizend frank.
(…)

RENDALL
Gij kunt niet?… ’t Is te weinig dus; welnu, vijftig duizend frank! Is ’t genoeg? (Wynand schudt mismoedig het hoofd.) Vijf en zeventig duizend frank! Allo kom, dat is de welstand voor uwe vrouw, voor uwe kinderen, dat is een genotvolle oude dag…
(…)

WYNAND
Dan vernietig ik de teekeningen, dan blijft mijne uitvinding onvruchtbaar voor eenieder.

RENDALL
Vader Wynand, ik wil ernstig spreken. Luister goed. Uwe voorstellen kan ik niet aanvaarden, ze zouden mij in de oogen mijner klasse vernederen. Daarom overdenk wel… Ik heb uw brood, uwe rust, uw leven zelfs in handen. Een woord van mij en de straat wacht u. Armoede, ellende grijnzen u en de uwen toe…
(…)

WYNAND
Zoo zijn zij allen!… Gevoelloos… wreed. Ikzuchtige wezens zonder hart, zonder geest!… Vervloekte samenleving… Zij hebben goud, goud en niets anders… En omdat ze goud hebben, moogt gij, werkman, slaaf, vinder, genie… niet ademen, niet leven, niet… weldoen! Wat geven mij de schatten mij aangeboden, wat geven mij de duizenden door mijnen geest verworven. Ik wil ze niet, ik verafschuw ze, maar mijnen stand, mijn volk, mijne broeders zou ik er door willen verheffen en dat juist willen ze niet… O laaghartige bezitters!… Laffe bloedwolven. In uwe rangen één onzer verheffen, dat, ja, dat zoudt ge nog doen,… om hem dan ook den blinddoek van eigenbelang voor te hangen en zijne medeslaven van vroeger te leeren verachten… Maar voor allen een gering deel van uwen overvloed missen… neen, dat wilt ge niet!… Ellendelingen! (Spottend.) Er moeten armen en rijken zijn, knechten en meesters! Ah, ah!… Ja… omdat zij de rijken zijn, en zij de meesters!… Ah, men vraagt mijn werk, mijne vinding, of men dreigt mij met ellende en hongernood!… Welaan, vrouw, welaan kinderen, wat moet vader Wynand doen?… Gij voor wie ik leef, voor wie ik sterven wil: wat wilt gij: Laf en rijk, met de anderen meehuilen op hen die tot heden onze broeders waren… of ellendig, verstooten het leven doorstrijden!…

 

Uit:
Aimé Bogaerts: Volledige werken (1925), p. 669-675


Vind dit boek in de bibliotheek Gent