terug naar index
De bouw van de Boekentoren

Nieuwsgierig naar de vorderingen van de bouw van de Boekentoren (1932-1935), nemen de surveillanten hun weeskinderen op sleeptouw naar de Blandijnberg. De kinderen echter hebben vooral oog voor hun broer of zus die in het andere weeshuis verblijft, zo schrijft weesmeisje Emma aan journalist Aksel, die zelf in het jongensweeshuis opgroeide.

Ik wil u nu vertellen over de eerste keer dat ik Walter terugzag, Aksel. Ik weet niet of ge u dat herinnert.
Op zondagochtend gingen we wandelen. Op zondagochtend gingen we altijd wandelen. De Tolhuislaan op en af. Of via de Kouter naar het Zuid en zo weer terug. De oudere meisjes deden die wandeling ‘s middags nog eens over. Een kwestie van bezig te zijn. We werden altijd nagekeken.
‘Kijk! De wezekes!’
We boden een mooi aanzicht. Allemaal met hetzelfde zondagse kleedje en dezelfde loden mantel. Elke grote met een kleintje aan de hand.
Op een dag waren we verder gegaan dan het Zuid. Omhoog naar de Blandijnberg, omdat de meesteressen het nieuwe gebouw wilden zien dat de bekende architect Henry van de Velde aan het bouwen was, iets waar heel Gent over praatte. Het zou een toren worden van glas en beton en de universiteit zou die vullen met boeken. Een heel beluik met werkmanshuizen was afgebroken om er de vierde toren van Gent te bouwen.
We sloegen af naar de Blandijn. Voorbij de Vooruit zagen we in de verte een andere groep naar beneden komen. Toen de groep dichter kwam, werd het duidelijk dat het kulders waren. De meisjes die een broer in de kulderschool hadden, rekten hun halzen om te zien of die erbij was, maar de meesteressen riepen hen tot de orde.
‘Cent! Regardez devant vous! Vingt! Avancez!’
We keken strak voor ons uit toen we de groep kulders passeerden. Ik had Walter herkend en mijn hart bonsde als gek, maar meer dan een schichtige blik durfde ik me niet te veroorloven. Niemand had echter op Walters reactie gerekend. Walter die altijd al als kwikzilver was geweest en nog niet geolied was door de discipline. Hij stond er niet bij stil dat het verboden was zijn eigen zus gedag te zeggen, verraste de surveillanten, toen hij dolgelukkig ‘Emma!’ riep, waarna hij de straat op rende. Ikzelf was wel al gekortwiekt door de strenge regels en besefte dat Walter zwaar gestraft zou worden. Ik gebaarde afwerend dat hij terug moest keren. Maar hij begreep het niet, aarzelde even, liep toen door. Ik keek naar hem, merkte hoe slecht hij eruitzag, stond toen ook op straat. Ik negeerde het geroep van de Kraai, liep naar Walter toe en omhelsde hem. Ik voelde zijn armen rond mijn nek, genoot er van zolang het duurde. Daar was de Kraai al. Ze trok me los van Walter, sleurde me aan mijn arm de straat over. Evrard greep de verschrikte Walter bij zijn kraag, gaf hem een trap onder zijn kont en sleepte hem terug naar de groep. De anderen zwegen. De surveillanten schreeuwden, duwden ons weer in de rij. Evrard en de Kraai glimlachten waarderend naar elkaar.
‘Avancez!’
Broers en zussen keken naar elkaar terwijl we ons verwijderden.

 

Uit:

Lies Bate: Nestvallers (2008), p. 44-45



Vind dit boek in de bibliotheek Gent