terug naar index
De bibliotheek van Gent

Bibliothecaris Walweyn de Tervliet ontving de latere V.S.-president John Quincy Adams in de Gentse stadsbibliotheek. Adams voerde de Amerikaanse delegatie aan bij de vredesbesprekingen voor het Verdrag van Gent (1814). Uit het verslag van Gontran van Severen (met een passage vertaald uit de Memoirs van John Quincy Adams).

Deze bibliotheek bevond zich reeds in de oude kapel van de Baudeloo abdij (...)
Het is daar dat Van Hulthem de werken had bijeengebracht die voortkwamen van de kloosters en die het begin van deze bibliotheek uitmaakten. Maar men zou ze er vruchteloos zoeken. Inderdaad, dit Gentse fonds is later opgenomen geworden in de werken der bibliotheek van de Universiteit, bij haar stichting, in 1816, en werd in 1942-1943 overgebracht naar de nieuwe bibliotheek waarvan de hoge toren de oude wijk van de Blandijnberg beheerst.

Honderd vijftig jaar geleden waren de toegangen tot de bibliotheek in de Centrale School, thans Koninklijk Atheneum, geheel verschillend van nu. Eerst en vooral bestond de Ottogracht nog, als waterloop. Aan de ene zijde liep hij in de Leie ter hoogte van het Sluizeken, aan de andere kant verdeelde hij zich in twee armen. De ene arm liep in de Leie bij de Sint-Jorisbrug, na de plantentuin te hebben gedwarst en besproeid. De andere verdween achter een huizenblok, dwarste het Steendam onder een stenen brug, die de naam droeg van Karnemelkbrug, dwarste de Nieuwpoortwijk en ging zich bij de Leie en de Schelde voegen bij hun samenvloeiing. Er was een brug juist rechtover de bibliotheek. Daarnaast bevond zich de Plantentuin, die een der mooiste van Europa was. John Quincy Adams moest hem enige dagen later bezoeken.

Het is in de namiddag van 19 augustus 1814 dat John Quincy Adams de bibliotheek bezocht, in gezelschap van de Maire. Het bezoek had een officieel karakter. Want graaf de Lens had de gehele afvaardiging uitgenodigd. Maar Gallatin was ongesteld. Wat de anderen betreft, zij voelden geen de minste lust er heen te gaan. John Quincy Adams was dus alleen. Niettemin wordt het officieel karakter van het bezoek bevestigd door de toespraak die de bibliothecaris Valwyn hield bij de ontvangst. Het is interessant te weten hetgeen de bibliothecaris zijn buitenlandse gast liet bewonderen en de reacties van deze laatste te kennen. De Memoirs zullen ons hierbij helpen.

“De bibliotheek is in hoofdzaak samengesteld, uit werken over recht en over godsdienst. Zij moet tussen de vier en de vijfduizend boekdelen tellen. De bibliothecaris liet mij vele handschriften zien die dagtekenden van voor de uitvinding der boekdrukkunst. Sommige onder hen waren verlucht. Maar de uitvoering is absoluut niet voortreffelijk. Het eigenaardigste is een Latijnse vertaling der Vitae van Plutarchus, gecalligrafieerd door vele verschillende handen. Ik heb een handschrift van kleine afmetingen gezien, van de VIIIe eeuw, heeft men mij bevestigd. Het is een Latijnse Bijbel, een getijdenboek, zeer goed geïllustreerd, waaraan een compilatie is toegevoegd, die op het plan van een Encyclopedie gelijkt. Men heeft mij vele drukwerken getoond van de XVe eeuw, waaronder een dat was gedrukt te Gent in 1485.
Onder de moderne zeldzaamheden vermeldde de bibliothecaris de uitgaven in-folio van Virgilius en van Racine, van bij Didot; een soort proclamatie van de hand van Jean-Jacques Rousseau, gedagtekend van 1739, en waarin de auteur het publiek waarschuwt dat alle uitgaven die de boekhandelaars van zijn werken hebben gedaan verminkt of vervalst zijn geworden; een niet ondertekend handschrift van Voltaire, dat de datum van 1737 draagt en dat vanwege de auteur een groot geldgebrek en een volledig misprijzen van de spelling verraadt. De proclamatie van Rousseau stak onder glas in een lijst. De conservator bezat een album waarin ik op zijn verzoek tekende, en er een zinsspreuk bijvoegde. Hij drong aan om binnenkort terug te keren met mijn collega's.”

De plantentuin, die sedert een vijftiental jaren aangelegd was, is de wandelplaats en de afspraakplaats geweest der goede Gentse maatschappij, op het einde van het Keizerrijk en gedurende de periode waarin België en Holland het rijk der Nederlanden hebben gevormd en die de heer Carlo Bonne zeer gepast de ‘Amalgame heeft genoemd. John Quicy Adams, die een groot liefhebber van planten en en van bloemen was, kwam er dikwijls. Hij woonde eveneens de vergaderingen van de Maatschappij voor landbouw en voor Plantenkunde bij. Hij ging één of tweemaal per week naar de schouwburg, en éénmaal per week naar het concert gevolgd van “redoute” of danspartij. Hij vergezelde namelijk zijn Gentse vrienden naar de voorstellingen der maatschappij van Rhetorica in de zaal van de Parnassusberg, waar men, de maandag, stukken speelde in het “Vlaams”. “Ik begreep er niets van en ben ingeslapen”, schrijft hij aan zijn vrouw, “daarna heb ik mij teruggetrokken”.

Uit:
Gontran Van Severen: De vrede van Gent (1963), p. 85-86


Vind dit boek in de bibliotheek Gent