terug naar index
De (middeleeuwse) Sint-Jacobskerk

Jonkvrouw Margaretha van Male, dochter van Lodewijk, graaf van Vlaanderen (14de eeuw) vertelt hoe ze van het Gravensteen naar Sint-Jacobs gaat.

Die ochtend zoek ik Godfried op om hem te vragen naar Grimbergen te rijden en het nieuws persoonlijk aan Filips te vertellen. Maar ik vind Godfried niet. Zijn schildknaap vertelt dat hij vroeg in de ochtend naar de Sint-Jacobskerk is gegaan. Het is de kerk waar alle pelgrims heen gaan voordat ze, getooid met een Sint-Jacobsschelp, op bedevaart naar het zuiden trekken. Ik vraag me af waarom hij precies naar die kerk is gegaan. Ik ren het Gravensteen uit en loop door de verlaten straatjes over de Vrijdagmarkt naar de kerk van Sint-Jacob. Het is kil en donker in de kerk. Er branden nauwelijks kaarsen. Van Godfried is geen spoor. Ik loop door het lege schip van de kerk naar de zijbeuken. Ik hoor mijn stappen hol weerklinken in de grote ruimte. Maar ook in de zijbeuken waar het zonlicht nauwelijks door de brandramen heen priemt, is geen levende ziel te bespeuren. Dan hoor ik de grendels. Ik draai me bij het altaar om en zie vier schaduwen langs de kerkvloer glijden. Hun stappen zijn nauwelijks hoorbaar.

Uit:
Jean-Claude van Rijckeghem en Pat van Beirs: Jonkvrouw (2005), p. 234-235



Vind dit boek in de bibliotheek Gent