terug naar index
Das Beguinenwesen am Tageslicht

In 1844 maakte de Duitse schrijfster Luise von Ploennies kennis met het leven van de Gentse begijntjes, dat voor hen een wonderlijke aanblik bood. In het convent van Sint-Agatha in het Groot Begijnhof echter ontstelt hen de kilte in hun “samenleving”.
Na de originele Duitse tekst volgt een vertaling door de redactie.

 

Vor dem Petersthor, nicht weit von der Eisenbahn, liegt ein hübsches Estaminet, wo man hingeht, um Aal zu essen. Wir blieben dort eine Weile, und besuchten gegen Abend den großen Beguinenhof. Diese Stiftung ist sehr alt, im Jahre 1234 soll eine flandrische Gräfin sie gegründet haben. Sie bildet eine kleine, von Wassergräben und Mauern umschlossene Stadt, mit 400 Häusern, 18 Konventen, einer großen und einer kleinen Kirche, und 6 Brücken. Sienbenhundert Nonen bewohnen diese Beguinage, außer den vierhundert Privatpersonen, welche sich dorthin zurückziehen, um ihr Leben in Ruhe zu beschließen. Das Dunkel begann zu sinken und umhüllte den weiten Beguinenhof, als wir eintraten. Die Abendglocke rief die Nonnen zum Ave [Maria] in die Kirche, und von allen Seiten kommen sie aus den kleinen Häusern hervor. Wir eilten ihnen voran in die Kirche, (...)

Am nächsten Morgen, wo ich das Beguinenwesen am Tageslichte sah, war die Poesie des Abends gewichen. Ich überzeugte mich von ihrem wirklichen Leben und Weben. Die Gelegenheit dazu bot mir die liebenswürdige Frau des Professors Serrure, die uns in das Konvent St. Agathe führte. Achtundzwanzig Beguine leben zusammen in diesem kleine Kloster, welches eine der achtzehn Abteilungen des großen Beguinenhofes bildet. Eine Thür, auf welcher der Name der heiligen Agathe stand, führte uns in ein allerliebstes Gärtchen, in welchem Dalien, Astern, Reseden und Monatsrosen in bunter Menge blühten und dufteten. Aus einer mit viereckigen Steinen belegten Vorhalle, darin ein Muttergottesbild aus Blumen schaute, traten wir in einem Saal, wo die achtundzwanzig Bewohenerinnen des St. Agathesnstiftes, mit weiblichen Arbeiten beschäftigt, im Kreise saßen. Sie sind alle ausnehmend geschickt in jeder Art weiblicher Handarbeit, wodurch sie sich ihren Lebensunterhalt verdienen. Es war alles außerordentlich hell un reinlich, aber schon in dem Saale wehte mich ein gewisser Geist der Kälte an, der über diesem scheinbaren Zusammenleben zu schweben schien. Sie saßen beisammen, aber so getrennt, als möglich. Jede hatte ihr eigenes kleines Tischchen vor ihrem Stuhl, auf einem Wandbrette standen viele gefüllte Wasserflaschen, und auf meine Frage erfuhr ich, daß sie am Abend den Nonnen zur Beleuchtung dienen.
  
In der Küche, wie im grossen Speisesaal fiel mir dieses Absonderungssystem noch mehr auf. Auf einem großen Feuerheerde, welcher allen achtundzwanzig Beguinen dient, kocht jede für sich allein. Die große Menge der Kohlenpfannen und kleinen Kochgeschirre bestätigte mir, was Frau Serrure mir schon gesagt hatte. Der Speisesaal aber bot den schlagendsten und eigenthümlichsten Beweis dieser seltsamen Absonderung. Rings an den Wänden standen hohe hölzerne Schränke, deren Schnitzwerk sie als sehr alt bezeichnete. Dieselben enthalten den kleinen Hausrath, der nicht in der gemeinschaftlichten Küche ausgestellt ist, als Teller, Gläser, Tassen u[ndsoweiter]. In der Mitte des Schrankes befindet sich eine Platte, die herausgezogen wird, und so den Eßtisch bildet, daran auf leichtem Feldstuhl die Beguine ihre Mahlzeit hält. Da alle Schränke offen sein müssen, wenn man die Platte herausziehen will, so bildet die Thür eine Art von Coulisse oden Scheidewand zwischen den speisenden Beguinen. Dies mißfiel mir sehr, denn ich sah daraus auf's deutlichste, daß unter ihnen keine Einigkeit, keine Freundlichkeit, kein Zutrauen herrscht. Ich dachte mir das arme Malteken [Matteke], dem die neidischen Schwestern noch eine schlimmere Scheidewand als die hölzerne ausgerichtet hatten.

Nederlandse vertaling:

De aard van de begijnen onthuld

Voor de Sint-Pieterspoort, niet ver van de spoorweg, ligt een plezierig estaminet, waar men heengaat om paling te eten. We bleven er een tijdje en bezochten tegen de avond het Groot Begijnhof. Die instelling is heel oud, een Vlaamse gravin zou het in het jaar 1234 gesticht hebben. Het begijnhof vormt een kleine, met watergrachten en muren omsloten stad, met 400 huizen, 18 conventen, een grote en een kleine kerk, en 6 bruggen. Zevenhonderd nonnen bewonen dit begijnhof, naast de vierhonderd privé personen die er zich terugtrekken om hun leven in alle rust te beëindigen. Het begon al donker te worden en de duisternis omsloot het weidse begijnhof toen we er binnengingen. De avondklok riep de nonnen voor het Ave [Maria] naar de kerk, en van alle kanten kwamen ze uit de huisjes tevoorschijn. We repten ons voor hen uit de kerk in (…)

Toen ik de volgende morgen het wezen der begijnen bij daglicht zag, was de poëzie van ’s avonds verdwenen. Ik overtuigde mezelf van hun reële leven en bezigheden. De beminnelijke echtgenote van professor Serrure bood me daartoe de kans door ons in het convent van Sint-Agatha te leiden. Achtentwintig begijnen leven in dat kleine klooster samen, dat een van de achttien afdelingen van het Groot Begijnhof vormt. Door een deur, waarop de naam van de heilige Agatha stond, geraakten we in een lieflijke tuin, waar dahlia’s, asters, wilde reseda en rozen in een kleurige massa bloeiden en geurden. Vanuit een voorportaal met vierkante vloerstenen, waar een mariabeeld tussen bloemen stond, gingen we een zaal binnen waar de achtentwintig bewoonsters van het Sint-Agathaklooster in een kring zaten en zich met vrouwenwerkjes bezighielden. Ze zijn allen bijzonder bedreven in allerlei soorten handwerk voor vrouwen, waardoor ze in hun levensonderhoud voorzien. Alles was uitzonderlijk klaar en proper, maar al in de zaal waaide mij een zekere koelte toe, die over dit ogenschijnlijk samenleven leek te zweven. Ze zaten bijeen, maar zo ver als mogelijk van elkaar gescheiden. Elkeen had zijn eigen tafeltje voor zijn stoel staan; op een wandplank stonden talloze met water gevulde flessen, en toen ik ernaar vroeg, kwam ik te weten dat die de nonnen ’s avonds tot verlichting dienen.

Zowel in de keuken als in de grote eetzaal viel me dat systeem van afzondering nog feller op. Op een groot haardvuur, dat voor alle achtentwintig begijnen dient, kookt ieder voor zich alleen. Het grote aantal kolenketels en klein kookgerei bevestigde wat mevrouw Serrure me al gezegd had. De eetzaal toonde mij echter het meest doorslaggevende en bevreemdende bewijs van die speciale afzondering. Rondom tegen de muren stonden hoge houten kasten, aan het houtsnijwerk te zien zeer oud. Daarin werd de kleine huisraad opgeborgen, die niet in de gemeenschappelijke keuken staat, zoals borden, glazen, kopjes enzovoort. In het midden van de kast kan een tafelblad uitgetrokken worden om aan te eten, zodat het begijntje daaraan op een lichte plooistoel kan gaan zitten voor de maaltijd. Doordat alle kasten moeten openstaan om het tafelblad te kunnen uittrekken, vormt de deur telkens een soort decorpaneel of scheidingswand tussen de etende begijnen. Dit beviel me in ’t geheel niet, want daar zag ik het duidelijkst, dat er tussen hen geen eenheid, geen vriendelijkheid, geen vertrouwen heerste. Ik dacht aan het arme begijntje Matteke, voor wie de jaloerse zusters een nog veel ergerlijker scheidingswand gevonden hadden dan de houten deuren hier.

Uit:

Luise von Ploennies: Reise-Erinnerungen aus Belgien (1845), p. 28-30



Vind dit boek in de bibliotheek Gent