terug naar index
Brand in het jongensweeshuis

De brand van het jongensweeshuis (1947) roept bij journalist Aksel en zijn vrienden de herinneringen op aan hun jeugd als “kulders” (weesjongens).

‘Het kuldershuis is afgebrand!’
Het was het eerste wat ik hoorde toen ik die morgen het redactielokaal binnenkwam.
Ik bleef staan, hoorde amper het opgewonden geroezemoes om mij heen, voelde enkel woeste vreugde.
Die avond gingen Geo en ik naar ons stamcafé, waar enkele andere ex-kulders op ons zaten te wachten. We sloegen elkaar uitbundig op de schouders, alsof we een overwinning hadden behaald, schoven enkele tafels bijeen en bestelden het eerste rondje.
Hoewel de brand officieel als een ongeluk werd afgedaan, deden de namen van de kulders die de brand hadden aangestoken al de ronde. We dronken op hen, omdat ze het lef hadden gehad af te maken, waar wij slechts van gedroomd hadden.
De stemming zat er in. We vertelden elkaar de sterke verhalen die we al talloze keren verteld en gehoord hadden. De tafels vulden zich langzaam met lege glazen.
(…)
De volgende dagen voelde ik een onrust die ik niet kwijtraakte. Alsof Peere een deur naar het verleden had geopend, die me gevangen hield. Ik ging zelfs het afgebrande kuldershuis bekijken aan de Martelaarslaan, stond zwijgend voor het hoge, smeedijzeren hek. Ik keek op naar het gebouw. Ik herinnerde me wat zich achter die zwartgeblakerde muren had afgespeeld.
Kulders zijn hard als staal.
Dat waren we niet, dat waren we niet.
Ik voelde een knagende leegte. Was dit alles wat overbleef? Een hoop zwart verbrande stenen en een directeur die de laan was uitgestuurd? Zou ons verhaal dan nooit verteld worden?

Uit:

Lies Bate: Nestvallers (2008), p. 9-11




Vind dit boek in de bibliotheek Gent